Buitenland belangrijkste oorzaak ecologische voetafdruk van de Nederlandse consumptie
 

19 mei 2013

Buitenland belangrijkste oorzaak ecologische voetafdruk van de Nederlandse consumptie

2012-08-02 | Bron: iNSnet |
De hoeveelheid land die nodig is voor de Nederlandse consumptie bedraagt ongeveer drie keer de landoppervlakte van Nederland. Van het land dat in gebruik is voor deze Nederlandse voetafdruk ligt een kleine 15% in Nederland zelf. De helft van het totaal ligt in andere OESO-landen, een kwart in de transitielanden (Brazilië, Rusland, India, Indonesië, China en Zuid-Afrika = BRIICS) en slechts 10% in de rest van de wereld, waaronder het Midden-Oosten en ontwikkelingslanden. Nederland kan dit landgebruik alleen beïnvloeden met op het buitenland gericht beleid.

Per inwoner ligt het landgebruik in de buurt van het mondiale gemiddelde, doordat er voor onze consumptie relatief intensieve productiemethoden worden gebruikt. De hoeveelheid land en water die we gebruiken voor onze consumptie vertelt dan ook maar een deel van het voetafdruk-verhaal. Naast de grootte is de diepte van de voetafdruk zeker zo belangrijk: dat gaat om de milieudruk die ontstaat door productie en verwerking van goederen, inclusief effecten op biodiversiteit, klimaatverandering en watertekorten. Zo zijn die effecten voor intensieve veehouderij in Nederland veel groter per hectare dan voor extensieve veehouderij in Zuid-Amerika. Daar staat wel tegenover dat er in Zuid-Amerika meer land nodig is.

Ander consumptiepatroon nodig
Beleid gericht op het verduurzamen van handelsketens en op het efficiënter omgaan met grondstoffen kan een belangrijke bijdrage leveren aan het verminderen van de diepte van de Nederlandse voetafdruk. Om de grootte van de voetafdruk te verkleinen is naast het efficiënter omgaan met grondstoffen, ook een ander consumptiepatroon nodig.
Dit zijn de belangrijkste conclusies die het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) trekt in de vandaag verschenen studie De voetafdruk van Nederland: hoe groot en hoe diep?

WNF heeft problematiek van de voetafdruk geagendeerd
Ieder mens laat een ‘voetafdruk’ achter op de aarde: we belasten de aarde door het gebruik van grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen voor onze consumptie. De voetafdruk geeft symbolisch de ruimte weer die daarvoor nodig is. De meest gebruikte indicator voor het in beeld brengen van de gevolgen van consumptie, is de ecological footprint van het Wereldnatuurfonds (WNF). Deze indicator heeft bewustzijn gecreëerd rond het groeiend gebruik van hernieuwbare natuurlijke hulpbronnen, schaarste aan grondstoffen en de milieueffecten door consumptie.

PBL-indicatorset ontwikkeld
Het PBL heeft de algemene voetafdrukindex van het WNF opgesplitst in voetafdrukindicatoren voor afzonderlijke beleidsthema’s. Dit stelt beleid en politiek in staat om beter onderbouwd prioriteiten te stellen. De indicatoren geven enerzijds aan ‘hoe groot’ de voetafdruk is (het gebruik van land, energie, water en grondstoffen) en anderzijds ‘hoe diep’ (de ecologische effecten daarvan op biodiversiteit, klimaatverandering en watertekorten). Vervolgens heeft het PBL de ecologische voetafdruk van Nederland berekend aan de hand van deze nieuwe indicatoren. Ook reikt het PBL op basis van deze analyse handelingsopties aan om de voetafdruk te verkleinen.

Verkleinen van de voetafdruk
Het ‘verkleinen van de voetafdruk van de consumptie’ definieert het PBL als zowel het verkleinen van de omvang, als de milieudruk en effecten daarvan. Het PBL onderscheidt drie categorieën van handelingsopties over de gehele handelsketen van productie tot consumptie, die kunnen bijdragen aan een kleinere voetafdruk. Deze zijn het verkleinen van de lokale effecten bij productie, efficiënter produceren en andere keuzes maken in het consumptiepatroon.
Het PBL wijst erop dat opties om de voetafdruk te verkleinen soms onbedoelde neveneffecten creëren. Die neveneffecten kunnen positief (synergiën) of negatief van aard zijn (trade-offs). Het PBL acht het daarom van groot belang deze neveneffecten goed te analyseren en mee te nemen in keuzes voor opties. Ook kunnen er ‘rebound’ effecten optreden die verwachte milieuwinst voor een deel weer teniet doen. Zo kan de beschikbaarheid van huishoudelijke apparaten met een hogere energie-efficiency bijvoorbeeld tot meer gebruik ervan leiden.

Verduurzamen van handelsketens
Ook heeft het PBL gekeken of het verkleinen van de omvang en effecten van de elders geplaatste voetafdruk kan samengaan met het huidige beleid voor het verduurzamen van handelsketens. De Nederlandse overheid heeft in het Beleidsprogramma Biodiversiteit (2008-2011) immers een aantal ambities en acties geformuleerd die het verduurzamen van internationale handelsketens tot doel hebben. Die ambities zijn later ook verwoord en verbreed in de Duurzaamheidsagenda, de Grondstoffennotitie en de Focusbrief voor Ontwikkelingssamenwerking. Daarnaast heeft de Taskforce voor Biodiversiteit en Natuurlijke Hulpbronnen eind 2011 het Kabinet geadviseerd de ecologische voetafdruk van de Nederlandse consument voor 2030 te halveren.

Integraal beleid
Deze verschillende beleidsagenda’s vragen om integraal beleid dat de Nederlandse consumptie en economie verbindt aan productiesystemen buiten Nederland. In het huidige verduurzamingsbeleid voor handelsketens is veel aandacht voor het verbeteren van de productieprocessen elders. Daarnaast wijst de overheid op het belang van efficiënter omgaan met grondstoffen. Het veranderen van consumptiepatronen wordt in het huidige beleid niet bezien als oplossing voor de problemen van de voetafdruk.

Lees verder: PBL
Reacties: 0 | reageer