Het eendimensionale winstdenken heeft zijn langste tijd gehad. Zoveel is wel duidelijk na dit roerige crisisjaar 2009. In een groeiend aantal organisaties zit er meer tussen de oren dan korte termijneuro’s alleen. Het moet ‘socialer’, het moet ‘duurzamer’ met oog voor volgende generaties. Papier is geduldig, maar wie heeft de moed om de echte stappen te zetten?Laatst spraken we met een voormalig directeur van een grote Nederlandse bank. Zij, zelf zeer begaan met maatschappelijk verantwoord ondernemen, vertelde ons dat ze nog nooit in een organisatie had gewerkt waar zoveel bevlogen mensen werkten als bij deze bank. Bevlogenheid met het werk van de bank, de kwaliteit voor de klant, de omgang met elkaar en vooral ook het thema ‘duurzaam bankieren’. Een grote groep medewerkers spande zich zeer in om de bank voort te stuwen naar een leidende positie in bancaire duurzaamheid en kregen daar ook alle ruimte voor van de leiding.
Dialogue Centers, werkgroepen, stakeholder consultaties, alles werd uit de kast gehaald. Helaas moest ze vaststellen dat de organisatie ook bol stond van de frustratie over het onvermogen om het eigen systeem werkelijk in beweging te krijgen. Haar bank, zo moest ze erkennen, kon nog altijd nauwelijks een duurzame deuk in een pakje boter slaan. De ideeën voor duurzamer handelen liepen steeds weer stuk op de onmacht om te veranderen. Op de geschreven en ongeschreven regels, de procedures. Kortom, de bekende inertie van een gevestigd, goed ontwikkeld systeem dat andere prioriteiten heeft dan vormgeven aan vernieuwing. Een intrigerende spanning, die we overal om ons heen zien: we willen wel, maar we kunnen niet.
Tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren. Als deze prachtige zin van Willem Elsschot ergens voor geldt dan is het wel voor de droom van duurzaamheid. En dan doelen we niet alleen op ecologische, maar ook economische en sociale duurzaamheid. Het blijft voor topmensen uit de politiek en bedrijfsleven onvoorstelbaar gemakkelijk om op congressen en bijeenkomsten over duurzaamheid steeds weer tot de slotsom te komen dat we nu toch echt - nee echt! – niet langer kunnen wachten met actie. Het gevoel van urgentie loopt intussen bij een groeiend aantal mensen zo hoog op dat het dreigt om te slaan in diepe frustratie over het uitblijven van een coherente visie en betekenisvolle maatregelen. Terwijl we stikken van de goede ideeën. Wat houdt ons toch tegen?
Ongemak
Aan onze kennis ligt het niet. Het ongemak dat Al Gore met zijn film An Inconvenient Truth bij ons blootlegde, gaat al lang niet meer over de noodzaak tot veranderen. Ieder weldenkend mens weet dat de overgang naar een duurzame samenleving onontkoombaar is. Nee, het ongemak dat we nu voelen, gaat over ons klaarblijkelijke onvermogen om de noodzakelijke veranderingen met de gewenste snelheid en impact gedaan te krijgen. Al Gore zei bij de presentatie van zijn nieuwste boek – Our Choice - dat er zoveel oplossingen klaarliggen bij laboratoria, universiteiten en innovatiecentra, dat we de problemen van onze aarde wel vier keer kunnen oplossen. De beschikbaarheid van oplossingen leidt klaarblijkelijk niet automatisch tot gebruik. Er gaapt een enorme kloof tussen kennis en markt, tussen weten en doen. We beginnen te beseffen dat we niet langer zoeken naar oplossingen, maar naar moed. Moed om over onze eigen schaduw heen te springen.
Soms worden we aangenaam getroffen door die moed. Neem nou die energieafsluiter van energiebedrijf Nuon, een veteraan met 25 jaar klantervaring. Hij was aanwezig toen Nuon in 2003 een keurig convenant sloot met de GGD van Amsterdam om te voorkomen dat mensen met psychische of sociale problemen die hun rekening niet betalen in de kou kwamen te zitten. Het convenant gaf Nuon de mogelijkheid om klanten in psychosociale nood bij de GGD aan te melden voor hulpverlening. Er was maanden gesproken over obstakels met privacywetgeving en praktische uitvoerbaarheid van deze constructie. Terwijl de hoogwaardigheidsbekleders met gepaste trots de papieren tekenden, sprak de gasafsluiter op halfharde toon: “Weten ze hier dan niet dat we dat allang doen? Je laat een mens toch niet creperen?” De vakman die dagelijks met dergelijke gevallen te maken had, had geen convenant nodig om te doen wat hij noodzakelijk en logisch vindt. Hij had blijkbaar de moed die zin geeft aan wat je dagelijks doet.
Vakmensen
Als het aankomt op handelen, dan moeten we bij de vakmensen zijn die in het hart van elke organisatie werken. Mensen die hun vak met liefde en verstand bedrijven. De slager die veel liever een puik stukje vlees levert, zonder enge stoffen en met de smaak van een dier dat een goed leven gehad heeft. De bankier die met kennis van zaken al jaren zijn klanten een veilige financiële haven biedt. De ambtenaar die op zondag met zijn gezin trots door het gebied fietst waar hij net met hart en ziel het inrichtingsplan voor gemaakt heeft. Vakmensen die trots zijn op wat ze kunnen, een professionele uitdaging met twinkelende ogen aangaan en genieten van het resultaat.
Vakmensen die zich niet laten weerhouden door wetten en praktische bezwaren spelen een cruciale rol in de overgang naar een duurzamere wereld. Als praktische bezwaren de leidraad waren geweest bij de bouw van de imposante kathedralen in de middeleeuwen, dan waren ze nooit gebouwd. In iedere moderne businesscase zou zo’n project genadeloos de nek zijn omgedraaid. Te risicovol! Een bouwtijd van meerdere generaties, veel toekomstige bouwkundige problemen waarvoor bij de aanvang van de bouw nog geen bewezen oplossing voor handen is en een financiële return on investment die waardeloos is. Nu kunnen we constateren dat de kathedralen van enorm belang zijn geweest voor onze westerse technologie en economische ontwikkeling. De gilden, de broederschappen van vaklieden waarin eeuwenlang technische kennis en vaardigheden werden opgebouwd, verbeterd en overgedragen, vonden hun bloei vooral in dit soort grensverleggende projecten. Hier werd het uiterste gevraagd van vaktechnisch vernuft en organisatievermogen. De voortgang was op cruciale punten volledig afhankelijk van het vertrouwen dat deze vaklieden complexe problemen zouden doorgronden en oplossen. Het bracht de meesters van de gilden – de timmerlieden, de steenhouwers, de loodgieters – groot maatschappelijk aanzien en zorgde voor welvaart van velen die dankzij de gilden een inkomen verwierven, als gezel, als toeleverancier, als financier.
Moed
De diepgaande veranderingen die nodig zijn voor duurzaamheid zijn de kathedralen van onze tijd. We bouwen ze voor de toekomstige generaties, voor een collectief belang en in de zekerheid dat we niet precies weten hoe ze eruit gaan zien. Het ontbreekt ons aan moed om de spade in de grond te steken, de eerste steen te leggen van een bouwwerk waar we zelf de voltooiing niet van zullen meemaken. We worden onrustig van het idee dat we ergens aan beginnen waarvan we het eind niet kennen. Keurige berekeningen vooraf van de capital at risk, zodat we de risico’s kunnen hedgen, zijn er even niet. We beginnen aan een klus, terwijl we niet weten of we de juiste gereedschappen en materialen hebben. En zo dreigen we ons eigen vakmanschap te vergeten.
De vakmensen van nu – voelt u zich aangesproken? - weten allang wat er nodig is voor duurzaamheid. Zij barsten vaak van de ideeën om er mee aan de slag te gaan. Ze weten welke vernieuwingen de zo abstracte paradigmaverschuiving praktische inhoud kunnen geven. Maar ze kennen ook de taaiheid van het alledaagse, de geschreven en ongeschreven regels. De verlammende complexiteit van afwegingen en de angst om te mislukken, die de overgang naar echt duurzame organisaties tot een schier onmogelijke missie maken. En toch: er gebeurt helemaal niets als er niet ten minste één persoon opstaat die zegt dat hij wil dat het anders gaat. Dat hij weet hoe het anders moet en de daad bij het woord voegt.
Pure winst
Die vakmensen zitten o veral, soms is een beetje ruimte alles wat nodig is om een duurzame bedrijfsvoering dichterbij te brengen. Nog even terug naar Nuon. Veel klachten van klanten over brieven en rekeningen die het energiebedrijf verstuurde, bleken terug te voeren op de laaggeletterdheid van tien procent van de klanten. Die bleken gewoon moeite te hebben met het begrijpen van geschreven taal. Binnen de kortste keren nam een bevlogen teamleider van het callcenter het initiatief om telefonisten te trainen om laaggeletterdheid snel te kunnen herkennen. Dat maakte het gesprek met die klanten een stuk vruchtbaarder. Brieven en websites werden herzien en klanten werd gewezen op de mogelijkheden van alfabetiseringsonderwijs. Een duurzamer bedrijf, tevreden klanten, tevreden medewerkers.
Beweging naar duurzaamheid ontstaat alleen daar waar mensen moed vinden om te doen wat ze nodig vinden. De moed om een organisatie te veranderen vinden vakmensen vooral bij elkaar. Natuurlijk is een legitimatie van bovenaf, het gevoel dat het mag, belangrijk. Maar soms is het voldoende een moedig initiatief achteraf te legitimeren en te verankeren in procedures en strategieën.
Er is zoveel te winnen! Stel dat we ruimte creëren waarin mensen met liefde voor hun vak vrijuit kunnen praten over de toekomst van hun werk. Wat ontstaat er als twee rasdocenten zich buigen over de toekomst van het onderwijs? Drie aannemers over de huizen die ze voor hun kinderen zouden willen bouwen? Tien jonge bankiers over de bank waar zij straks verantwoordelijkheid voor willen nemen? Zet honderd vakmensen bij elkaar om te spreken over wat zij willen doen om hun werk zinvoller en duurzamer te maken. En over de vraag hoe ze elkaar gaan helpen die ideeën te verwerkelijken in hun dagelijks werk. Dat is Pure Winst.
Twinkeling
Pure winst is het resultaat als mensen met elkaar werken aan de ontwikkeling van hun vak. Als de alledaagse taaiheid van de organisatie geen eindpunt is maar een ‘te nemen hobbel’. Zoals een schilder een proefstukje opzet om kleur en kwaliteit van de verf te beoordelen, zo weten vakmensen dat er ruimte moet zijn om te experimenteren en te proberen wat werkt om tot echte vernieuwing en duurzaamheid te komen. Die ruimte scheppen binnen bedrijven levert pure winst op. Al die vakmensen die al jaren werken in functies die in vrijwel elke organisatie terugkeren, in finance, in HRM, in facilitair management, in inkoop: zij staan niet stil in hun ontwikkeling. Zij staan te popelen om aan de slag te gaan, liefst morgen. Zij weten als geen ander wat er kan veranderen in de vakopleidingen, de vakorganisaties, de normen die we hanteren. Zij weten wie daarover gaat, hoe we de boel in beweging krijgen. Het nieuwe vakmanschap is een bron van pure winst!
Veel bijeenkomsten over duurzaam veranderen eindigen met de conclusie dat het tijd wordt om aan de slag te gaan. Dat is nu juist het startpunt voor de beweging Pure Winst. Mensen met verstand van hun vak nemen het heft in handen. Omdat zij beseffen dat het gaat om de logische volgende stap in de ontwikkeling van datgene waar zij goed in zijn. Met zelfvertrouwen, een timmermansoog en een twinkeling in de ogen.
Ruud Schuurs, Annette de Vries en Esther Strijbos