Volg Duurzaamnieuws op Google News | Discover | of als voorkeursbron op Google
In 1992 verloor de Ever Laurel tijdens een storm een container met 28.800 plastic badspeeltjes. Oceanograaf Curtis Ebbesmeyer gebruikte hun vindplaatsen om zeestromingen te volgen. Maar hoe ver zouden de speeltjes nog reizen?
Een badeendtje op zee. Foto: iStock – bririemoments
Een plastic badspeeltje tussen de schelpen: je zou denken dat iemand het op het strand heeft laten liggen. Maar de eerste speeltjes uit deze lading spoelden pas na zo’n tien maanden aan in Alaska, zo’n 3.200 kilometer van de plek waar ze in zee belandden. De lading bevatte eendjes, bevers, schildpadden en kikkers. Doordat ze geen gaatjes hadden en dus niet volliepen, konden ze blijven drijven en werd hun reis van kust tot kust te volgen.
De storm gooide meer overboord dan één container
Op 10 januari 1992 was de Ever Laurel onderweg van Hongkong naar Tacoma, aan de westkust van de Verenigde Staten. In de Noordelijke Stille Oceaan verloor het schip tijdens de storm twaalf containers van 40 voet. Slechts één daarvan bevatte de badspeeltjes die later zo bekend zouden worden.
De lading was gemaakt in China voor The First Years Inc. en werd verkocht onder de naam Friendly Floatees. Op het eerste gezicht was het gewoon speelgoed. Toen de dieren verspreid over de oceaan opdoken, kregen ze onbedoeld een tweede rol: ze lieten zien waar drijvende voorwerpen terecht kunnen komen.
Goed om te weten De naam Friendly Floatees gold voor de hele lading, inclusief de gele eendjes. De rode bevers, blauwe schildpadden en groene kikkers hoorden er ook bij.
Een route dwars door het poolijs
Alaska was lang niet het eindpunt van de reis. Sommige speeltjes kwamen vast te zitten in het Arctische zee-ijs en dreven daarmee over de Noordpool. Jaren later doken er exemplaren op in de Groenlandzee. Zo kon een badspeeltje zelfs na lange tijd uit het zicht weer ergens anders verschijnen.
Ook buiten dat noordelijke traject werden exemplaren gevonden: op Hawaii, in Zuid-Amerika en langs de westkust van Noord-Amerika. Die plekken liggen flink uit elkaar. De meldingen lieten zien waar voorwerpen op het oceaanoppervlak naartoe dreven.
Een vondst op het strand werd een meetpunt
Oceanograaf Curtis Ebbesmeyer kon de speeltjes niet zelf op zee volgen. Hij werkte met de plekken waar mensen er een vonden. Elke melding gaf hem een nieuw punt op de kaart, soms duizenden kilometers van andere vindplaatsen verwijderd. Uit zulke losse punten probeerde hij de beweging van het zeewater te begrijpen.
Een aangespoeld speeltje vertelt niet precies welke bochten het onderweg heeft gemaakt. Maar als vondsten op uiteenlopende kusten binnenkomen, ontstaat er wel een beeld van de mogelijke routes. Dat maakte de Friendly Floatees bruikbaar voor onderzoek naar stromingen.
Plastic houdt zich niet aan de rand van de oceaan
In juli 2007 vond een gepensioneerde lerares een van de speeltjes bij Devon, aan de Britse kust. Daarmee kwam deze geschiedenis ook aan de Europese kant van de oceaan terecht. Aangespoeld plastic hoeft niet afkomstig te zijn van een schip of strand in de buurt.
De vondsten worden inmiddels schaarser. Toch werd in 2025 geschat dat nog ongeveer 2.000 exemplaren van de oorspronkelijke lading op de wereldzeeën dreven. Het werkelijke aantal is onbekend. Het verschil tussen de zeldzamere meldingen en die geschatte hoeveelheid maakt vooral duidelijk hoe lastig drijvend afval terug te vinden is.
Over de studie
Wetenschappers gebruikten de gemelde vindplaatsen als invoer voor OSCAR, een computermodel waarmee ze patronen van stromingen aan het oceaanoppervlak reconstrueerden. Zo werden de afzonderlijke strandvondsten onderdeel van een groter beeld. De methode steunde op meldingen van mensen die de speeltjes daadwerkelijk hadden gevonden.
Ebbesmeyer beschreef zijn werk met drijvend afval later in het boek Flotsametrics and the Floating World. Daarin komen ook de badspeeltjes aan bod. Het boek verscheen in 2009.
