Volg Duurzaamnieuws op Google News | Discover | of als voorkeursbron op Google
Sovon telde in januari 2026 in Nederland 12.702 kleine zwanen. De Noordwest-Europese populatie krimpt, en van de vogels die er nog zijn, overwinteren er steeds meer buiten Nederland.
Een kleine zwaan (Bewick’s Swan) zwemt op het water. Beeld: Maga-chan, CC BY-SA 2.5, via Wikimedia Commons.
De terugval begint op de toendra
Een kleine zwaan op een winterochtend in Nederland: dat beeld is minder vanzelfsprekend geworden. De vogel broedt op de toendra’s van Eurazië en trekt voor de winter naar de Noordzeekust. Bij internationale tellingen daalde het aantal kleine zwanen in de Noordwest-Europese populatie van 29.277 in 1995 naar ongeveer 21.500 in 2005. Een stillere Nederlandse winter zegt niet alles over het aantal zwanen, nu ook de afstand die ze afleggen verandert.
Een wintertelling laat maar een deel zien
Het broedgebied van de kleine zwaan loopt van het schiereiland Kola tot de monding van de Kolyma in Oost-Siberië. Een telling in Nederland vangt dus maar een stukje van zijn reis. En ook dat stukje wisselt flink van jaar tot jaar.
Goed om te weten Bij het Britse natuurgebied Slimbridge werden in het seizoen 2024/2025 nog 87 kleine zwanen geteld, zonder één jonge vogel. Voor dat gebied was dat 86 procent minder dan 50 jaar eerder.
Tussen 2016 en 2021 werden hier jaarlijks 3.500 tot 11.000 kleine zwanen waargenomen. Een getal voor één winter kun je daarom niet zomaar naast dat van een andere winter leggen. Om te zien wat er met de soort gebeurt, moet je ook kijken hoeveel vogels elders langs de trekroute zitten en hoeveel jongen ze grootbrengen.
Bij de internationale telling in 2020 telde de Noordwest-Europese populatie nog ongeveer 13.000 kleine zwanen. Dat cijfer gaat over de vogels op de hele trekroute, inclusief de zwanen buiten Nederland. De langdurige afname lijkt vooral samen te hangen met te weinig aanwas, en minder met sterfte onder volwassen vogels.
Na slecht weer op de Russische toendra in de voorafgaande zomer was slechts 2,5 procent van de kleine zwanen die in Nederland werden bekeken een eerstejaars vogel. Dat is het aandeel jongen tussen de getelde vogels, geen telling van alle jongen die op de toendra uit het ei kwamen. Het laat wel zien hoe weinig nieuwe vogels er na zo’n slechte zomer meekomen.
Er speelt nog iets mee: jaarlijks doet maar ongeveer 30 procent van de volwassen vogels een broedpoging. Zelfs als de vogels een plek vinden om de winter door te komen, groeit de populatie daardoor niet vanzelf weer aan. Wat er tijdens het broedseizoen gebeurt, weegt zwaar voor de winters die volgen.
Een zachtere winter verkort de reis
Het klimaat verandert intussen ook waar de overgebleven zwanen de winter doorbrengen. Zachtere winters maken het voor meer vogels mogelijk om in Noord-Duitsland te blijven; ook Denemarken wordt vaker hun eindbestemming. Dan hoeven ze niet meer door naar Nederland.
Het verband is behoorlijk precies gemeten: per 1 graad Celsius winteropwarming overwinteren kleine zwanen gemiddeld 118 kilometer dichter bij hun broedgebied. Dat is een gemiddelde; de afstand die elke zwaan opschuift, verschilt. Over meerdere winters helpt zo’n verschuiving verklaren waarom een vertrouwd overwinteringsgebied minder vanzelfsprekend wordt.
Vooral jonge zwanen trekken het overwinteringsgebied naar het noordoosten. De Noordwest-Europese populatie is kleiner geworden en een deel van de vogels trekt minder ver. Een lager aantal in Nederland vertelt je op zichzelf niet welk deel van die veranderingen je ziet.
Sovon Vogelonderzoek Nederland coördineert de tellingen hier. Die zijn juist nuttig naast tellingen in andere overwinteringsgebieden, van Groot-Brittannië tot Duitsland. Ook bij een volgende wintertelling blijft die vergelijking nodig om te zien of er minder zwanen zijn, of dat ze elders zijn blijven hangen.
Over de studie
Hans Linssen van de Universiteit van Amsterdam en het NIOO-KNAW leidde het onderzoek naar de verschuivende wintergebieden, samen met onderzoeker Bart A. Nolet. Het team onderzocht hoe de afstand tussen broedgebied en winterverblijf samenhangt met warmere winters. Daarbij keek het ook naar de leeftijd van de vogels, om te zien welke generaties de verandering aanjagen.
