Volg Duurzaamnieuws op Google News | Discover | of als voorkeursbron op Google

In augustus 1974 zette de CIA de Hughes Glomar Explorer in boven een Sovjet-onderzeeër op 5.000 meter diepte. De geheime missie moest een technische triomf worden, maar eindigde met een verlies dat nooit meer werd hersteld.

Scheepswrak

Een duiker onderzoekt een scheepswrak. Foto: iStock – durdenimages

In de Koude Oorlog lag de K-129 al zes jaar op de bodem van de noordelijke Stille Oceaan, met aan boord onder meer kernraketten en cryptografische apparatuur die voor Washington van grote waarde konden zijn. De CIA liet daarom een uitzonderlijk bergingsschip bouwen achter de façade van diepzeemijnbouw, eigendom van de excentrieke miljardair Howard Hughes. Op 1 augustus 1974 begon de lange hijsactie, met een constructie die 1.750 ton uit de diepzee moest kunnen tillen. Wat daar op het spel stond, was een wrak, maar ook militaire geheimen, nucleaire technologie en de vraag hoe ver grootmachten gaan om die buiten bereik van de ander te houden.

Een verdwijning die alles in beweging zette

De K-129 verdween in maart 1968 tijdens een patrouille in de noordelijke Stille Oceaan. Het was een Golf II-onderzeeër van 100 meter lang en 3.000 ton zwaar, die in 1964 was gemoderniseerd met nieuwe elektronische systemen.

De Sovjet-Unie zocht vergeefs naar het schip. De Verenigde Staten vonden het wrak wel, eerst via het onderwaterluister-netwerk SOSUS en daarna met een spionageonderzeeër die de exacte plek bevestigde. De bergingsplek lag circa 1.560 mijl (ongeveer 2.900 kilometer) ten noordwesten van Hawaï, in internationale wateren. Voor de CIA was dat een uitzonderlijke kans om Sovjet-missieltechniek en maritieme elektronica van dichtbij te bestuderen.

Goed om te weten
Een berging op bijna 5 kilometer diepte was in 1974 ongekend. Geen eerdere reddings- of bergingsoperatie had een wrak vanaf zo diep opgetild.

Mijnbouwverhaal moest nieuwsgierige ogen op afstand houden

Hughes Glomar Explorer met de Clémentine grijper.

Een groot mijnbouwschip met een uitgebreide kraaninstallatie en bovengrondse constructies, uitgerust voor diepzeebergingsoperaties. Beeld: Wikimedia Commons.

Een openlijke militaire operatie zou Moskou meteen argwanend hebben gemaakt. De Hughes Glomar Explorer kreeg daarom een commerciële taak op papier: mangaanknollen verzamelen, metaalrijke brokken op de oceaanbodem. Binnen de CIA werd de berging officieel ‘Project Azorian’ genoemd, met ‘Jennifer’ als naam van het geheime beveiligingscompartiment rond het project, aangestuurd door John Parangosky, hoofd van de Special Projects Staff van het Directoraat Science and Technology.

Het schip had een enorm ruim in het midden van de romp, zodat de buit buiten zicht naar binnen kon worden gehaald. De CIA liet tussen 1970 en 1974 ook een reusachtige mechanische grijper bouwen, met de codenaam Clémentine. Die werd via een afzinkbare ponton onder het schip geladen.

De ingenieurs wilden een wrakdeel van ongeveer 40 meter vastpakken en optillen zonder dat het schip door stroming te veel verschoof. Een drijvend schip moest boven een doel op de zeebodem vrijwel exact op zijn plek blijven.

Acht dagen hijsen, toen brak de grijper

De Glomar Explorer bereikte de bergingsplek op 4 juli 1974 en bleef daar ruim een maand liggen. Sovjetschepen en vliegtuigen kwamen in die periode geregeld in de buurt, maar zagen alleen een schip dat ogenschijnlijk met diepzeemijnbouw bezig was.

De daadwerkelijke hijs begon op 1 augustus. De bemanning bouwde een lange kolom van stalen buizen op, steeds in stukken van 60 voet, om de grijper naar beneden te laten zakken. Bij het ophalen ging dat proces andersom, buis voor buis.

  • De berging duurde acht dagen.
  • De K-129 was ongeveer een derde van de weg omhoog toen de constructie faalde.
  • De midden- en achtersectie vielen terug naar de zeebodem.

Een later vrijgegeven CIA-rapport wijst op een structureel defect in de bergingsgrijper. De voorste 38 voet van de romp bleven wel hangen. Daarin zaten twee nucleaire torpedo’s en de lichamen van zes Sovjet-matrozen.

De belangrijkste buit bleef onder water

Juist de delen waar Washington het meest op aasde, gingen verloren: het raketcompartiment, de ballistische kernkoppen en de codeboeken. De Glomar Explorer borg het overgebleven wrakdeel op 8 augustus in zijn interne ruim en vertrok een dag later richting Hawaï.

De operatie staat bekend als een van de duurste geheime projecten uit de Koude Oorlog. In geld van nu kostte zij bijna 5 miljard dollar, meer dan de Apollo-missie die mensen op de maan zette.

Een tweede bergingspoging kwam er niet. De operatie lekte enkele jaren later uit, terwijl het Kremlin duidelijk maakte dat een nieuwe actie op dezelfde plek niet zou worden geaccepteerd. De CIA-documentatie over de Glomar-operatie laat zien hoe groot het diplomatieke risico inmiddels was geworden.

De grens van technische durf

De Glomar Explorer deed later nog enkele boringen, maar zijn geheime hoofdtaak kreeg geen vervolg. In 2015 werd het schip in China ontmanteld. Daarmee verdween ook een van de opvallendste werktuigen uit de onderwaterstrijd van de Koude Oorlog.

Communicatiekabels, autonome onderwatervoertuigen en militaire sensoren op de zeebodem zijn nu opnieuw inzet van diezelfde strategische strijd om de zeebodem. De eerste projectstudies gaven de berging destijds slechts 1 kans op 10 op volledig succes.