Volg Duurzaamnieuws op Google News | Discover | of als voorkeursbron op Google
Via voedsel, lucht en verzorgingsproducten krijg je dagelijks nogal wat nanodeeltjes binnen. Een deel ervan blijft maanden of zelfs jaren in organen als de lever en de milt achter. Hoe schadelijk dat is, weten wetenschappers nog niet goed, omdat de deeltjes lastig te volgen zijn. Een nieuwe richtlijn van de OESO moet daar verandering in brengen.
Ook tijdens het werk staan we bloot aan fijnstof en nanodeeltjes. Foto: iStock – Mongkolchon Akesin
Wat zijn nanodeeltjes?
Een nanodeeltje is kleiner dan 100 nanometer. Dat is tienduizend keer kleiner dan een millimeter. Sommige nanodeeltjes zijn door mensen gefabriceerd. Denk aan titaniumdioxide, een wit pigment dat jarenlang in snoep en gebak zit. Of aan silica en ceriumoxide.
Andere deeltjes ontstaan als bijproduct, zoals ultrafijnstof uit het verkeer. Deeltjes van vliegverkeer zijn ongeveer 10 tot 20 nanometer groot, wegverkeer stoot deeltjes uit van ongeveer 30 tot 50 nanometer. Ook plastic valt uiteen in steeds kleinere stukjes. De kleinste daarvan heten nanoplastics.
Hoe komen ze je lichaam binnen?
Er zijn drie routes: inademen, inslikken en via de huid.
Inademen. Ultrafijnstof is zo klein dat het via de longen in de bloedbaan kan doordringen en zo andere organen kan bereiken. Er zijn ook aanwijzingen dat deze deeltjes via de reukzenuw van de neus naar de hersenen worden getransporteerd.
Inslikken. Van titaniumdioxide in voedsel neem je maar weinig op. Volgens de Europese voedselautoriteit EFSA gaat het waarschijnlijk om hooguit 0,5 procent. Maar wie dagelijks kleine beetjes binnenkrijgt, kan op den duur toch een voorraad opbouwen.
Via de huid. Zonnebrandcrème bevat vaak nanodeeltjes van titaniumdioxide of zinkoxide. Onderzoek laat zien dat die in de bovenste huidlaag blijven, ook bij beschadigde of door zon bestraalde huid. De Europese commissie SCCS concludeerde dat nano titaniumdioxide tot 25 procent in zonnebrandcrème geen risico vormt op gezonde of verbrande huid. Bij inademing geldt titaniumdioxide wel als mogelijk kankerverwekkend. Daarom gelden strengere regels voor sprays en poeders.
Waar blijven de deeltjes?
Opgeloste stoffen verspreiden zich door het lichaam en worden weer afgevoerd. Slecht oplosbare nanodeeltjes gedragen zich anders. Zodra ze in het bloed komen, pakken afweercellen ze snel op. Daardoor vind je in een bloedmonster nauwelijks iets terug. De deeltjes hopen zich op in een paar organen: vooral de lever, de milt, de longen en de lymfeklieren. Daar kunnen ze maanden of langer blijven.
Hoe lang precies, is onduidelijk. Twee dierstudies gebruikten dezelfde deeltjes van 21 nanometer. De ene vond dat de hoeveelheid in de lever na 95 dagen gehalveerd was. De andere kwam uit op 265 dagen. Dat kan betekenen dat het jaren duurt voordat je lichaam deze deeltjes kwijt is.
Dat ze ook bij mensen blijven hangen, is aangetoond. Onderzoekers maten in 2018 voor het eerst titanium en titaniumdioxide-deeltjes in de lever en milt van vijftien overleden mensen. Minstens 24 procent van die deeltjes had nanoformaat. Een vervolgstudie vond naast titaniumdioxide ook silicadeeltjes in menselijk weefsel.
Nanoplastics lijken zelfs de hersenen te bereiken. Een studie uit 2025 vond plastic in nieren, lever en hersenen van overledenen, met de hoogste concentraties in de hersenen. Hersenmonsters uit 2024 bevatten duidelijk meer plastic dan monsters uit 2016. Het ging vooral om polyethyleen, in de vorm van kleine scherfjes op nanoschaal.
Hoe schadelijk zijn ze?
Eerlijk antwoord: dat weten we niet goed. Bij titaniumdioxide in voedsel gaf juist die onzekerheid de doorslag. EFSA en het Franse ANSES stelden in 2019 dat eerdere veiligheidsconclusies niet meer overeind bleven. De reden was niet dat de stof aantoonbaar giftig was. Het probleem was dat er geen goed opgezette testen waren.
In 2021 concludeerde EFSA dat schade aan het DNA niet kon worden uitgesloten. Sinds 8 augustus 2022 mogen er in de EU geen levensmiddelen met E 171 meer worden gemaakt of ingevoerd. Niet iedereen is het daarmee eens. Health Canada, het Australische en Nieuw-Zeelandse FSANZ en het Britse FSA wegen de informatie anders dan EFSA.
Bij nanoplastics zijn de signalen zorgwekkender, maar ook onzekerder. Een Italiaanse studie volgde patiënten bij wie vetplaque uit de halsslagader werd verwijderd. Bij ruim 58 procent zat polyethyleen in de plaque. Die patiënten hadden daarna een 4,5 keer grotere kans op een hartaanval, beroerte of overlijden. Het gaat om een verband, niet om bewezen oorzaak. Critici wijzen er ook op dat een operatiekamer vol plastic zit, waardoor monsters besmet kunnen raken.
Ook de hersenstudie kreeg kritiek. Andere onderzoekers betwijfelen of de meetmethode plastic goed kan onderscheiden van natuurlijke stoffen in hersenweefsel.
Voor ultrafijnstof is het beeld iets duidelijker. Blootstelling kan leiden tot ontstekingen in de longen. Er zijn aanwijzingen voor effecten op hart en bloedvaten, en bij dieren zijn effecten op het zenuwstelsel gevonden. Toch bestaan er voor ultrafijnstof geen wettelijke grenswaarden.
Hoe spoor je nanodeeltjes op?
Dat is misschien wel de grootste uitdaging. Titanium en silicium komen al van nature voor in weefsel en in diervoer. Als maar een heel klein deel van een dosis de lever bereikt, is het lastig dat te onderscheiden van wat er al zat.
“Het vinden van de nanodeeltjes in het lichaam is als een handvol zand op een strand uitstrooien en dan proberen je eigen korrels eruit te pikken”, zegt Paul Callaghan van het Australische kerninstituut ANSTO.
Een van de gevoeligste methoden is radioactivatie. Onderzoekers bestralen het deeltje zelf, zodat een deel van de atomen radioactief wordt. Daarna kunnen ze het door het lichaam volgen. Omdat er niets aan het oppervlak wordt vastgemaakt, veranderen de eigenschappen minder. Er is ook geen label dat kan loslaten. De methode is geschikt voor studies tot 90 dagen.
Bij mensen kan dat niet zomaar. Daar gebruiken onderzoekers vooral een techniek die afzonderlijke deeltjes telt en meet met massaspectrometrie, single particle ICP-MS. Voor plastics verhitten ze het weefsel tot het plastic uiteenvalt. Uit de brokstukken leiden ze af om welk plastic het gaat, en met infraroodmetingen en elektronenmicroscopie controleren ze de uitkomst.
Wat verandert er met de nieuwe richtlijn?
Voor opgeloste chemische stoffen bestaat al sinds 2010 een OESO testrichtlijn. Die is uitdrukkelijk niet bedoeld voor nanomaterialen. Op 10 augustus 2026 publiceerde de OESO daarom een richtsnoer voor het testen van slecht en deels oplosbare deeltjes die worden ingeslikt of ingeademd. Het document telt 179 pagina’s.
Nederland en het Verenigd Koninkrijk leidden het project. Callaghan was het enige lid van de kerngroep van het zuidelijk halfrond. De groep wilde eerst een formele testrichtlijn schrijven, maar vond dat niet haalbaar. Het document is dus een advies.
Het richtsnoer geldt voor eenvoudige, industrieel gemaakte deeltjes. Vezels, opname via de huid en nanomedicijnen vallen er nog buiten. De OESO wil het later uitbreiden naar meer soorten materialen als er nieuwe kennis beschikbaar komt.
Bronnen
- Phys.org / ANSTO: Where do nanoparticles go once they enter the body?
- Bergeson & Campbell: OECD Guidance Document on Toxicokinetics (Nano)particles
- RIVM: Ultrafijnstof
- RIVM: Health Canada en FSANZ over titaniumdioxide (E 171)
- Heringa e.a. (2018): Detection of titanium particles in human liver and spleen
- Peters e.a. (2020): Silicon dioxide and titanium dioxide particles found in human tissues
- Nihart e.a. (2025), Nature Medicine: Bioaccumulation of microplastics in decedent human brains
- Marfella e.a. (2024), NEJM: Microplastics and Nanoplastics in Atheromas
- Medscape: Plastic Particles in Carotid Plaques Linked to CV Events
- Wiley, Photochemistry and Photobiology: penetratie nano titaniumdioxide in beschadigde huid
- Critical Catalyst: SCCS over nanotechnologie in zonnebrandproducten
