Volg Duurzaamnieuws op Google News | Discover | of als voorkeursbron op Google
Op 21 januari 1968 stortte bij Thule Air Base een Amerikaanse B-52G met vier waterstofbommen neer op het Groenlandse zee-ijs. De opruiming werd enorm, maar één cruciaal onderdeel bleef spoorloos.
Een Amerikaanse B52 bommenwerper, het type vliegtuig dat op Groenland neerstortte. Foto: Wikimedia
Een paar kussens voor een verwarmingsopening waren genoeg om in de cabine van HOBO 28 een brand te veroorzaken. De bommenwerper maakte deel uit van Operation Chrome Dome, de permanente gewapende patrouilles waarmee de Verenigde Staten vanuit Thule Air Base het noordpoolgebied tijdens de Koude Oorlog bewaakten. Zes bemanningsleden wisten zich nog uit het toestel te schieten. Het incident legde bloot hoe dicht militaire routine en een nucleaire ramp bij elkaar konden liggen.
De B-52 viel 12 kilometer van de basis neer
HOBO 28 kwam neer op het zee-ijs van North Star Bay, 12 kilometer ten westen van Thule Air Base. Het was een B-52G van de 380th Strategic Bomb Wing, die vanuit Plattsburgh Air Force Base opereerde.
De vlucht liep boven Baffin Bay, als onderdeel van Operation Chrome Dome. Die naam stond voor gewapende alarmvluchten boven het noordpoolgebied, bedoeld om de Sovjet-Unie tijdens de Koude Oorlog in de gaten te houden. Het type B28FI aan boord had een explosieve kracht van 1,1 megaton per waterstofbom.
Goed om te weten
Een megaton staat voor de kracht van 1 miljoen ton TNT. De B28FI hoorde daarmee tot de zwaarste kernwapens die op een bommenwerper konden worden meegenomen.
Om 12:22 uur moest iedereen eruit
Gezagvoerder kapitein John Haug gaf om 12:22 uur Atlantic Standard Time het bevel het toestel te verlaten. Zes van de zeven mannen bereikten met een schietstoel veilig het ijs onder hen.
Copiloot Leonard Svitenko had zijn schietstoel afgestaan aan een reservepiloot en zat daardoor op het onderdek, waar geen uitwerpstoel was. Hij probeerde via een luik naar buiten te springen, verwondde daarbij zijn hoofd en overleed. De brand kostte zo één bemanningslid het leven.
De bommen ontploften niet nucleair, maar verspreidden wel plutonium
Bij de inslag gingen de gewone explosieven in alle bommen af. Daardoor werden de wapens vernield en kwam radioactief plutonium terecht op het ijs van North Star Bay, zonder een nucleaire kettingreactie.
De brand en de explosies lieten ongeveer twintig minuten lang een zwarte wond in het ijs achter. Die plek was 160 meter breed en 700 meter lang; brokstukken lagen verspreid over meer dan 75 vierkante kilometer.
- Besmet raakten ijs, sneeuw en wrakstukken.
- De vervuiling lag verspreid over een gebied groter dan veel Nederlandse gemeenten.
- De conventionele ladingen vernietigden de wapens, maar voorkwamen geen radioactieve schade.
De opruiming vond drie bommen terug
De Verenigde Staten en Denemarken begonnen daarop Operation Crested Ice, een grote schoonmaakactie op het poolijs. Het doel was besmette sneeuw, ijs en puin zo veel mogelijk verwijderen voordat het gebied verder veranderde.
Van drie wapens werden de onderdelen volledig geborgen. Van één exemplaar verdween echter de secundaire fusiecomponent, het deel dat de kernfusie in een waterstofbom op gang brengt. Zoekploegen kamden het ijs uit en zetten ook een mini-onderzeeboot in, maar de locatie is nog altijd onbekend.
Na 1968 stopten de gewapende patrouilles
Thule stond niet op zichzelf. Na de ramp in Groenland en een eerder ongeval bij Palomares in Spanje in 1966 stopten de Verenigde Staten in 1968 met de reguliere Chrome Dome-vluchten met kernbommen boven het noordpoolgebied.
De vermiste fusiecomponent blijft een tastbaar reststuk van die periode.
Voor de mensen die wel moesten opruimen, kwam erkenning pas veel later. De Deense regering stemde in 1996 in met een vergoeding van 50.000 Deense kronen per persoon voor getroffen Deense arbeiders die radioactief afval hadden geholpen verwijderen.
