Volg Duurzaamnieuws op Google News | Discover | of als voorkeursbron op Google

Er zitten flinke gaten in de klimaatmodellen die ons moeten waarschuwen voor de gevolgen van klimaatverandering en extreem weer. Daardoor zien we nu al weersextremen die pas voor 2050 waren voorspeld. En er ontbreken belangrijke bronnen in de boekhouding. Met alle gevolgen van dien.

supercell storm

Een aakomende onweersbui uit een supercell. Foto: iStock – Darren Bennett

Klimaatmodellen zijn onmisbaar voor beleidsmakers en wetenschappers voor hun zicht op de toekomst, maar recent onderzoek laat de hiaten zien die ze vertonen. Eerder schreven we al over bossen die minder koolstof opslaan dan modellen aannemen. Nieuw onderzoek laat zien dat ook oceanen, natuurlijke emissiebronnen, economische modellen en zelfs de meetnetwerken zelf voor verrassingen zorgen. En dan zijn er nog de gaten in de boekhouding. Dit artikel zet de belangrijkste recent ontdekte omissies en hun gevolgen op een rij.

Het begint met de bossen

In een eerder artikel schreven we al over een onderzoek dat werd uitgevoerd door wetenschappers van Cornell University. Dat liet zien dat klimaatmodellen de koolstofopname door bossen met wel 30 procent kunnen overschatten. Bomen zetten bij hitte en droogte minder CO2 om in houtgroei, omdat ze hun poriën sluiten om water vast te houden. En het herstel van de CO2-opname na bosbranden duurt langer dan was voorzien.

Verstoringen zoals bosbranden, droogte en plagen bepalen inmiddels voor bijna de helft van alle bossen wereldwijd hoe snel de koolstofbalans omslaat. Dat geldt vooral voor gematigde en boreale bossen. Huidige modellen hebben moeite om deze verstoringen goed mee te nemen, waardoor ze de klimaatgedreven impact op bossen waarschijnlijk onderschatten.

Natuurlijke opwarmingsemissies ontbreken

Bossen zijn niet het enige probleem op het land. Van de elf Earth system-modellen die zijn gebruikt in de laatste IPCC-beoordeling nam geen enkel model alle belangrijke bronnen van opwarmingsgedreven emissies mee. Denk aan bosbranden, verdrogende moerasgebieden en ontdooiend permafrost.

Dit is geen klein detail. Naarmate de aarde opwarmt, stoten deze natuurlijke systemen steeds meer broeikasgassen uit. Wetenschappers waarschuwen dat landen hierdoor kunnen denken dat er nog ruimte is om fossiele brandstoffen te verbranden voordat klimaatdoelen worden overschreden, terwijl die er in werkelijkheid niet is.

De oceaan als blinde vlek

Waar de uitstoot door bossen al op de voorspellingen vooruitloopt, blijkt ook de oceaan lastiger te modelleren dan gedacht. De oceaan neemt ongeveer een kwart van alle menselijke CO2-uitstoot op. Toch onderschatten veel oceaanmodellen deze opname, vergeleken met schattingen op basis van directe metingen. De precieze oorzaak is nog niet duidelijk, maar seizoensgebonden schommelingen in de CO2-opname lijken een rol te spelen.

Er zijn ook signalen dat de oceaan als koolstofput langzaam verzwakt. Verder bleek uit nieuwe satellietmetingen dat de winterse CO2-uitstoot van de Zuidelijke Oceaan, ten zuiden van vijftig graden zuiderbreedte, tot wel 40 procent werd onderschat. Dat kwam door hiaten in eerdere waarnemingen tijdens de wintermaanden.

Economische modellen missen extreme schokken

Niet alleen natuurwetenschappelijke modellen laten steken vallen. Ook de economische modellen die overheden, centrale banken en investeerders gebruiken, blijken tekort te schieten. Deze modellen gaan vaak uit van aannames die niet meer kloppen naarmate de opwarming toeneemt.

Klimaatwetenschappers stellen dat deze economische modellen te weinig rekening houden met extreme gebeurtenissen en met schokken die elkaar versterken. Daardoor wordt het financiële en maatschappelijke risico van klimaatverandering vaak onderschat, juist op het moment dat dit risico het hardst groeit.

Modellen missen de aanloop naar hittegolven

Ook op de korte termijn zijn er hiaten. Klimaatmodellen simuleren hittegolven goed zodra ze eenmaal op gang zijn. Maar ze missen structureel de atmosferische processen die aan deze hittegolven voorafgaan en die ze veroorzaken.

Dit maakt het lastiger om extreme hittedagen van tevoren te voorspellen. Onderzoekers ontdekten dit patroon in het oostelijke Middellandse Zeegebied en het Midden-Oosten, een van de snelst opwarmende regio’s ter wereld. Juist in gebieden waar vroegtijdige waarschuwingen levens kunnen redden, schieten de modellen juist tekort.

Extreem weer loopt voor op de voorspellingen

Dit alles roept een bredere vraag op: lopen de modellen structureel achter op de werkelijkheid? Verschillende wetenschappers denken van wel. Klimaatextremen die we nu al zien waren volgens eerdere voorspellingen pas over twintig jaar verwacht, ergens rond 2045 tot 2050.

Ook de opwarming zelf gaat sneller dan gedacht. Onderzoekers van het Planbureau voor de Leefomgeving berekenden dat de grens van 1,5 graden opwarming waarschijnlijk al tussen 2030 en 2035 wordt overschreden. Dat is tien jaar eerder dan het IPCC in 2014 nog verwachtte. Een deel van de verklaring ligt bij de omissies die hierboven al aan bod kwamen: modellen die natuurlijke koolstofputten overschatten en natuurlijke emissiebronnen missen geven simpelweg een te optimistisch beeld van hoe snel de opwarming toeslaat.

Droogte bedreigt ons voedsel

De gevolgen blijven niet beperkt tot bossen en oceanen. Droogte en hitte raken ook direct de voedselproductie. Maïs en soja blijken het meest gevoelig voor droogte, gevolgd door zomer- en wintertarwe. Onder een scenario met hoge uitstoot loopt het risico op ernstige oogstschade in de belangrijkste productielanden, waaronder de Verenigde Staten, Argentinië, Australië en China, sterk op. En ook in Europa mislukken al oogsten als gevolg van de extreme droogte.

Ook op langere termijn is het beeld zorgelijk. Onderzoek naar droogte en voedselzekerheid laat zien dat tegen 2050 in 62 landen de oogst van maïs, soja, rijst en tarwe samen met meer dan 10 procent kan dalen. In 24 van die landen kan het verlies boven de 20 procent uitkomen, vooral in delen van Zuid-Amerika, Afrika, Oost-Europa en Zuidoost-Azië. Daarnaast groeit het risico op hitteschade rond de bloei van tarwe: wetenschappers verwachten dat wereldwijde opbrengstverliezen door hittestress tegen 2050 met 32 procent kunnen toenemen en tegen 2090 zelfs met 77 procent.

Deze cijfers onderstrepen waarom nauwkeurige klimaatmodellen zo belangrijk zijn. Als landbouwbeleid en voedselzekerheidsplanning op modellen gebaseerd worden die de opwarming, droogte en het verlies van natuurlijke koolstofputten onderschatten, dreigen landen te laat te reageren op een probleem dat zich sneller ontvouwt dan voorzien.

Gaten in attributieonderzoek

Attributieonderzoek probeert te bepalen of, en in welke mate, klimaatverandering een specifieke extreme gebeurtenis heeft beïnvloed. Deze tak van de wetenschap is de afgelopen tien jaar flink verbeterd. Voor sommige gebeurtenissen kunnen wetenschappers binnen enkele dagen al een uitspraak doen.

Toch verschilt het vertrouwen (in de waarschijnlijkheid dat een gebeurtenis door klimaatverandering is beïnvloed) sterk per type gebeurtenis. Voor temperatuurextremen en zware regenval is het vertrouwen hoog. Voor zware onweersstormen is er nog nauwelijks onderzoek gedaan. Onderzoekers pleiten daarom voor modellen met een hogere resolutie en voor meer investeringen in waarnemingen, vooral in het mondiale Zuiden.

Verdwijnende meetnetwerken

Een laatste, onderliggend probleem raakt alle bovenstaande hiaten. Klimaatmodellen zijn alleen zo goed als de metingen waarop ze zijn gebouwd. Er is groeiende zorg over de continuïteit van het meetsysteem waarop schattingen van de energiebalans van de aarde zijn gebaseerd.

Satellieten die deze metingen verrichten worden geleidelijk buiten dienst gesteld. Metingen op de grond krijgen minder ondersteuning en onderhoud als gevolg van politieke keuzes. Zonder goede, doorlopende metingen wordt het steeds moeilijker om te controleren of klimaatmodellen kloppen, en om ze te verbeteren.

Uitstoot door gewapende conflicten telt vaak niet mee

Er is nog een blinde vlek, en die zit niet in de natuurwetenschap maar in de boekhouding. Landen hoeven de uitstoot van hun leger niet verplicht te rapporteren aan de klimaatorganisatie van de Verenigde Naties. Die rapportage is vrijwillig, en veel landen doen het daarom niet of onvolledig. Daardoor ontbreekt een flink deel van de wereldwijde uitstoot in de cijfers waarop klimaatmodellen en emissiedoelen zijn gebaseerd.

Het gaat om aanzienlijke hoeveelheden. Legers en hun toeleveringsketens zijn wereldwijd goed voor ongeveer 5,5 procent van alle broeikasgasuitstoot. Als legeruitstoot als een apart land zou worden geteld, zou het de vierde grootste uitstoter ter wereld zijn. Bij actieve oorlogen komt daar nog eens uitstoot bovenop door gevechten zelf, verwoeste infrastructuur en wederopbouw. Een analyse van de Russische invasie van Oekraïne liet zien dat directe gevechtshandelingen 37 procent van de totale oorlogsuitstoot tussen 2022 en 2026 verklaarden. Branden in bossen en moerasgebieden waren goed voor nog eens 23 procent. Aanvallen op de energie-infrastructuur lieten daarnaast zwavelhexafluoride vrijkomen, een broeikasgas dat 24.000 keer krachtiger is dan CO2.

In juli 2025 oordeelde het Internationaal Gerechtshof dat landen verplicht zijn om de klimaatschade van hun handelen te beoordelen, te rapporteren en te beperken, en dat die verplichting ook geldt voor schade door gewapende conflicten. Toch blijft rapportage in de praktijk vrijwillig. Sinds begin 2026 zijn er weer nieuwe conflicten bijgekomen, zoals de oorlog tussen Israël, de Verenigde Staten en Iran, waarvan de uitstoot evenmin systematisch wordt geteld.

Dit is dus geen fout in de natuurkunde van klimaatmodellen, zoals bij bossen of oceanen. Het is een gat in de invoer: uitstoot die er wel is, maar nergens in de officiële cijfers verschijnt. Ook dat vertekent uiteindelijk hoe goed modellen de werkelijkheid kunnen volgen.

Wat betekent dit voor klimaatbeleid?

Al deze hiaten wijzen in dezelfde richting. Klimaatmodellen zijn krachtige hulpmiddelen, maar op meerdere fronten nog te optimistisch of onvolledig. Bossen slaan minder koolstof op dan gedacht. Natuurlijke bronnen stoten meer uit dan de modellen meenemen. De oceaan neemt mogelijk minder CO2 op dan is berekend. Economische modellen onderschatten extreme schokken en de meetnetwerken die dit allemaal moeten bijhouden staan zelf onder druk.

Voor beleidsmakers betekent dit vooral één ding: er is minder ruimte om fouten te maken dan de huidige modellen soms suggereren. Wetenschappers werken wereldwijd aan verbeterde modellen, maar zolang deze hiaten bestaan, is een gezonde achterdocht op zijn plaats bij het stellen van klimaatdoelen die op deze modellen zijn gebaseerd. Ze schieten waarschijnlijk al tekort voordat ze zijn opgeschreven.