Volg Duurzaamnieuws op Google News | Discover | of als voorkeursbron op Google

Steden onder een oranje hemel. Kinderen die binnen moeten blijven omdat de lucht giftig is. Tienduizenden mensen die hun huis moeten ontvluchten voor een muur van vuur of worden bedolven onder modderlawines. Dit is geen doemscenario meer. Dit is de zomer van 2026, in Europa, in de Verenigde Staten en in Azië. En terwijl de planeet letterlijk in brand staat, kondigt Donald Trump aan om de grootste oliereserves van de wereld te willen verstoken. Een groeiende groep juristen en activisten stelt een simpele vraag. Waarom wordt deze misdaad nog steeds niet bestraft?

bosbrand ecocide

Bosbranden zijn maar één gevolg van ecocide. Foto: iStock – Onderortel

Vernietiging op een schaal die de wet niet kent

Het woord bestaat al sinds 1970. Ecocide, de moedwillige verwoesting van het leefmilieu, bedacht als tegenhanger van genocide. Vijftig jaar later is er eindelijk een juridische definitie. Een panel van topjuristen legde in 2021 vast wat ecocide inhoudt. Onwettige of moedwillige daden, gepleegd met de wetenschap dat ernstige en wijdverspreide of langdurige schade aan de natuur zeer waarschijnlijk is. Maar eigenlijk schiet die definitie nog tekort, want met het vernietigen van het planetaire ecosysteem valt ook de leefomgeving van de mens weg. Ecocide is dus feitelijk geen tegenhanger van genocide, het is de overtreffende trap.

Toch valt dit begrip nog altijd niet onder de werking van het Internationaal Strafhof. Genocide, oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid, agressie. Vier misdrijven die de mensheid ooit ondraaglijk genoeg vond om internationaal te vervolgen. Verwoesting van de natuur, en dus het leefsysteem van de mens, staat daar nog altijd niet bij.

De ecocide beweging groeit

Er begint iets te schuiven. In 2024 dienden de eilandstaten Vanuatu, Fiji en Samoa een officieel voorstel in om ecocide toe te voegen aan het Statuut van Rome. Landen die het water letterlijk voelen stijgen, wachten niet langer af. Rusland, Oekraïne, Frankrijk en België hebben ecocide al eerder in hun eigen wetboeken opgenomen. De Europese Unie voerde in 2024 zwaardere straffen in voor ernstige milieumisdrijven. In Ghana eisen parlementsleden een wet tegen de verwoesting door illegale mijnbouw. In Iran noemde de vicepresident zelf de aanvallen op brandstofdepots ecocide.

Het is geen randverschijnsel meer. Het is een beweging die beseft dat oorlogsmisdaden en klimaatverwoesting op dezelfde schaal van menselijk lijden liggen, en dat het recht en de handhaving daar eindelijk op moeten aansluiten.

De urgentie neemt elke dag toe

De wet beschermt mensen, niet de aarde die hen in leven houdt. Zolang het internationaal recht alleen kijkt naar directe schade aan mensen, glipt de vernietiging van bossen, rivieren en oceanen ertussendoor. Terwijl juist die vernietiging de bron is van steeds meer menselijk lijden.

De mensen achter de beslissingen komen er nu mee weg. Bedrijfsleiders die willens en wetens doorgaan met verwoestende activiteiten, verschuilen zich achter hun onderneming. Een misdrijf ecocide zou hen persoonlijk kunnen raken. Niet alleen het bedrijf, maar de mens die tekende voor de beslissing.

We weten allang wat er op het spel staat. In oorlogen als in Oekraïne en Gaza is milieuvernietiging al zichtbaar als wapen. Maar ook zonder oorlog is de schaal van de schade, van ontboste regenwouden tot vergiftigde wateren, vergelijkbaar met wat het recht elders al als ondraaglijk erkent.

De grootste vervuiler wast zijn handen in onschuld. Journalist Alexander Hurst schreef in The Guardian dat de Verenigde Staten, verantwoordelijk voor meer dan een vijfde van alle historische uitstoot ooit, onder Trump welbewust een verwoestend beleid voert. Hij noemt het ronduit ecologische oorlogvoering, en roept Europa op om economische druk te gebruiken om verandering af te dwingen. Geen verontschuldiging, geen genuanceerd overleg. Wel de druk verder opvoeren.

Waar wachten we nog op?

Wat deze discussie zo bitter maakt, is dat de olie industrie al decennia geleden precies wist wat er zou gebeuren. Aaron Regunberg van het Climate Accountability Project schreef in The Guardian over de dag dat hij zijn zoontje van vijf moest vertellen dat ze niet naar het strand konden, omdat de lucht buiten giftig was door bosbranden.

Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat de dodelijke hittegolven van deze zomer, in de VS en in Europa, zonder klimaatverandering vrijwel onmogelijk waren geweest. Met methoden die zijn goedgekeurd door de Amerikaanse National Academy of Sciences, is berekend dat de uitstoot van bedrijven als ExxonMobil, Chevron, Shell en BP sommige hittegolven tienduizend keer waarschijnlijker heeft gemaakt. Alleen al vorige maand stierven naar schatting meer dan twintigduizend mensen in Europa aan extreme hitte.

En deze bedrijven wisten het. Interne documenten tonen aan dat oliemaatschappijen decennia geleden zelf voorspelden dat hun product zou leiden tot, in hun eigen woorden, wereldwijd catastrofale schade, gewelddadiger weer en dood door hitte. Ze gebruikten die kennis om hun eigen installaties te beschermen. En ze financierden tegelijkertijd campagnes om twijfel te zaaien over diezelfde wetenschap.

Regunberg stelt een simpele vraag. Waarom wachten op een nieuw internationaal tribunaal, als bestaand strafrecht dit gedrag allang dekt? Roekeloos in gevaar brengen. Het veroorzaken van risico op een ramp, een misdrijf dat in Pennsylvania en New Jersey al is gebruikt tegen partijen die een dodelijk gevaar bewust verzwegen. Dood door schuld, wanneer roekeloosheid bijdraagt aan de dood van een ander. In de staat Washington mag een rechtszaak tegen de fossiele industrie, wegens de dood van een moeder tijdens een hittegolf, al doorgaan naar het bewijsstadium. De wetten liggen er. Ze worden alleen nauwelijks gebruikt.

Het saboteren gaat gewoon door

De weerstand is hardnekkig. Bewijzen dat iemand willens en wetens schade heeft veroorzaakt, is lastig wanneer duizenden partijen decennialang gezamenlijk bijdragen aan één crisis. De grootste vervuilers, met de Verenigde Staten voorop, zijn geen partij bij het Internationaal Strafhof. Een nieuw misdrijf zoals het opstoken van de Venezolaanse olie zou hen dus niet eens direct raken. Strafrechtelijk dan.

En dan lees je dit: columnist Allister Heath schreef in de Telegraph doodleuk dat de strijd tegen klimaatverandering al verloren is, en dat landen zich maar beter kunnen aanpassen aan een warmer klimaat dan hun uitstoot te verminderen. Guardian columnist George Monbiot noemt dat, terecht, geen pragmatisme maar nihilisme. Een verhaal dat vooral de belangen van de fossiele industrie dient, verpakt als redelijkheid. Terwijl er mensen in Bordeaux en Madrid huis en haard ontvluchten, wordt hun ramp door sommigen weggewuifd als iets waar we mee moeten leren leven.

Dit gaat niet om een juridisch detail

Dit debat gaat niet over een technische aanpassing van een verdrag. Het gaat over de vraag of we de vernietiging van de leefbare Aarde nog langer zonder consequenties laten plaatsvinden.

De juridische definitie ligt er. De voorstellen liggen er. De bewijzen tegen de fossiele industrie liggen er, soms al tientallen jaren, zelfs in hun eigen interne documenten benoemd. En alsof dat allemaal niet genoeg is kondigt het staatshoofd van de meest vervuilende natie van de wereld aan om de grootste fossiele bom van het moment tot ontploffing te willen brengen. Wat ontbreekt, is de politieke wil om de bestaande wetten te gebruiken. Zolang die wil er niet is, blijft de vraag onbeantwoord die elke ouder zich inmiddels stelt wanneer de lucht buiten weer oranje kleurt. Hoeveel bewijs heeft de wereld nog nodig?