Volg Duurzaamnieuws op Google News | Discover | of als voorkeursbron op Google

Rond de aarde worden inmiddels zo'n veertigduizend objecten gevolgd, waaronder elfduizend actieve satellieten. In de drukste lage banen kan één botsing genoeg zijn om een puincascade op gang te brengen die satellietverkeer langdurig in de knel brengt.

Ruimtepuin dat rond de aarde cirkelt.

Illustratie van ruimtepuin en satellietbrokstukken die rond de aarde zweven in een baan om de aarde. Beeld: European Space Agency.

Een kleine tik op de snelweg is vervelend, maar stel je voor dat elk losgeraakt onderdeel meteen nieuwe ongelukken veroorzaakt. In de drukke lage banen rond de aarde kan zo’n mechanisme werkelijkheid worden: het Kessler-syndroom, waarbij brokstukken na een botsing weer andere objecten raken en de puinwolk aangroeit. Het idee werd al in 1978 beschreven, maar de inzet is urgenter nu de Europese ruimtevaartorganisatie ESA waarschuwt dat de hoeveelheid rondzwevend puin zelfs zonder nieuwe lanceringen nog ruim tweehonderd jaar kan blijven toenemen. Wat daar vastloopt, raakt ook de infrastructuur waarop we hier op aarde steeds meer leunen.

Het kantelpunt zit in de drukte

In een lage aardbaan hoeft zo’n puinwolk maar vaak genoeg andere objecten te kruisen om een eigen leven te gaan leiden. ESA spreekt van een kritische dichtheid: vanaf dat punt zorgen botsingen voor nieuw schroot, dat vervolgens de kans op weer een botsing verder vergroot.

Dat is vooral lastig omdat losse brokstukken daar met enorme snelheid rond de aarde blijven vliegen. Een explosie of botsing kan duizenden fragmenten opleveren, en elk daarvan wordt een nieuw risico voor werkende satellieten en toekomstige missies. Het Kessler-effect is een proces dat zichzelf kan voeden.

Meer dan een miljoen stukken groter dan 1 cm

De catalogus bevat alleen het puin dat goed genoeg te volgen is. Het ESA Space Debris Office schatte in 2024 dat er naast de geregistreerde objecten ruim 1 miljoen stukken groter dan 1 cm rondzweven. Ook zo’n klein stukje metaal of kunststof kan een satelliet flink beschadigen.

  • In 2024 waren 26.000 gevolgde stukken puin groter dan 10 cm.
  • Het totale gewicht van al het ruimtepuin werd in 2025 geschat op meer dan 10.800 ton.
  • Die massa zit verspreid over allerlei banen, maar de lage banen zijn het drukst.

Dat maakt ruimteverkeer een beetje vergelijkbaar met een snelweg waarop steeds meer kapotte auto-onderdelen blijven liggen, terwijl er nieuwe auto’s bijkomen. Alleen kun je hier niet even de weg afsluiten om alles op te ruimen.

2024 leverde duizenden nieuwe brokstukken op

Onbedoelde fragmentaties, bijvoorbeeld na botsingen of technische problemen waarbij een satelliet uiteenvalt, gebeuren gemiddeld ongeveer 10,5 keer per jaar. In 2024 kwamen daardoor meer dan 3.000 nieuwe puinfragmenten in de internationale catalogus terecht.

Het ging dat jaar om meerdere grote gebeurtenissen en veel kleinere. Samen maakten die de drukte in de lage aardbaan groter, terwijl oude satellieten daar vaak blijven hangen nadat hun werk erop zit.

Als de dichtheid hoog genoeg wordt, ruimt de natuur dit probleem niet snel genoeg op. De bovenste lagen van de dampkring remmen sommige objecten af, maar nieuw puin ontstaat sneller dan dat het kan terugvallen en verbranden. ESA beschrijft die ontwikkeling in het Space Environment Report 2025.

Opruimen is nodig, maar voorkomen telt net zo zwaar

Een satelliet die aan het einde van zijn levensduur in een overvolle baan blijft zweven, verhoogt het botsingsrisico voor alles wat daar langs komt. Ruimteveiligheid draait steeds meer om het op tijd uit drukke banen halen van satellieten.

Puinruimers kunnen in theorie grote brokstukken weghalen, terwijl strengere regels satellietbouwers kunnen dwingen om al vóór de lancering na te denken over het einde van een missie. Zulke maatregelen zijn nog niet op de schaal ingevoerd die nodig is om de bestaande berg schroot snel kleiner te maken.

Satellieten dragen onder meer GPS en telecommunicatie, en een lastig bereikbare lage baan maakt vervanging of uitbreiding van zulke diensten ingewikkelder voor Nederland en Europa. ESA werkt aan manieren om het Kessler-effect af te remmen.

Over het onderzoek

De naam van het syndroom verwijst naar Donald J. Kessler, een astrofysicus en voormalig NASA-wetenschapper. Hij beschreef het scenario in 1978 samen met Burton Cour-Palais, lang voordat grote satellietconstellaties de lage banen zo druk maakten.

De Europese ruimtevaartorganisatie volgt de ontwikkeling met jaarlijkse rapporten over de ruimteomgeving. Het rapport over 2024 telde 35.000 gevolgde objecten in een baan om de aarde, een basis voor de latere, nog hogere tellingen.