Volg Duurzaamnieuws op Google News | Discover | of als voorkeursbron op Google
Het is best bijzonder: een politiek debat waarbij beide deelnemers het er meteen over eens zijn dat onze wereld op instorten staat. Toch is dat precies waar twee bekende denkers over klimaat en samenleving beginnen en juist dat maakt hun discussie zo interessant. Hun uitgangspunt is hetzelfde, hun uitweg verschilt radicaal.

Het is best bijzonder: een politiek debat waarbij beide deelnemers het er meteen over eens zijn dat onze wereld op instorten staat. Toch is dat precies waar twee bekende denkers over klimaat en samenleving beginnen en juist dat maakt hun discussie zo interessant. Hun uitgangspunt is hetzelfde, hun uitweg verschilt radicaal.
De schrijver van dit essay op de site van Jem Bendell, John Foster en Jem Bendell, auteur van het boek Breaking Together, zijn het eens over één ding: onze huidige politieke systemen zijn niet in staat om een grote maatschappelijke crisis op te vangen. Onze wegwerpmaatschappij is al ver op weg naar instorting. En de gebruikelijke politieke reacties zoals werkgroepen, voorzichtige taal, denken aan de volgende verkiezing, zijn eigenlijk op zichzelf al een vorm van wegkijken. Ze helpen ons doen alsof er niets aan de hand is.
Maar als het gaat om de oplossing, gaan de twee een heel andere kant op.
Twee verschillende oplossingen
Bendell gelooft in lokale gemeenschappen die zichzelf redden. Mensen moeten meer autonomie krijgen, minder afhankelijk worden van grote systemen, en zelfs rust en vreugde vinden te midden van de chaos. Hij wantrouwt centrale macht diep.
Foster stelt iets anders voor: ecologische epistocratcie. Dat klinkt ingewikkeld, maar het betekent simpelweg: laat mensen die het klimaatprobleem écht begrijpen de leiding nemen. Geen dictatuur, benadrukt hij, maar een bestuur geleid door mensen met echte kennis van de crisis, aangevuld met burgerberaden op lokaal niveau.
Burgerberaden zijn groepen gewone mensen die samen nadenken over moeilijke vraagstukken. Dat noemen we normaal democratie, maar hij zegt dat het ook gewoon “de slimsten laten meepraten” is, alleen dan op een eerlijke manier. Een centrale overheid zou dan de grote lijnen uitzetten: hoeveel CO₂ mag er nog uitgestoten worden, hoe wordt grond eerlijker verdeeld. Lokale gemeenschappen bepalen zelf hoe ze daar invulling aan geven.
Kan de democratie zichzelf redden?
De centrale vraag is: kan onze huidige democratie zichzelf hervormen voordat het te laat is? Kunnen politici die vooral bezig zijn met de volgende verkiezing, met lobbyisten en met bedrijfsbelangen, écht de grote stappen zetten die nodig zijn?
John Foster gelooft van niet. Klimaatverandering begrijp je pas echt als je omgaat met statistieken, wetenschappelijke rapporten en langetermijnrisico’s. Veel mensen ervaren wel de gevolgen zoals overstromingen, hitte, droogte, maar zien het niet als een systemisch probleem dat om radicale actie vraagt. We moeten dus naar een bestuur dat steunt op intelligentie, begrip van complexiteit en urgentie en kennis van zaken, een epistocratie. Daardoor zal de groep die écht begrijpt wat er moet gebeuren altijd een minderheid zijn. Maar wel een minderheid met een enorme verantwoordelijkheid, en die alleen maar kan functioneren op basis van vertrouwen.
Maar wie bepaalt wie het weet?
Bendell stelt een terechte vraag: wat als die “slimme leiders” het ook mis hebben? Wetenschappelijke kennis verandert voortdurend. Een groep die denkt alles te weten kan makkelijk vastlopen in één manier van denken — en dan grote fouten maken met veel zelfvertrouwen.
John Foster erkent dit probleem. Zijn antwoord: echte klimaatintelligentie betekent ook weten dat je het mis kunt hebben. Goede leiders zouden dus altijd luisteren naar lokale gemeenschappen, naar burgerwetenschap, naar mensen die met hun eigen ogen zien wat er in hun omgeving verandert. Het gaat niet om arrogante experts die alles beter weten — het gaat om bescheiden leiders die kennis combineren met luisteren.
Hij erkent ook andere risico’s, wat als zo’n systeem misbruikt wordt? Zijn antwoord: die risico’s bestaan bij élke vorm van bestuur, ook bij democratieën van nu. En een klimaatgericht bestuur zal waarschijnlijk minder gevaarlijk zijn dan sommige rechtse bewegingen die via gewone verkiezingen aan de macht kunnen komen.
Zijn we verslaafd aan consumeren?
Overconsumptie ligt aan de basis van de problemen die we ervaren. In de afbouw daarvan zit misschien wel het grootste verschil tussen de twee denkers.
Bendell denkt dat mensen consumeren omdat ze daartoe gedwongen worden door grote bedrijven, rijke elites en een systeem dat hen geen andere keuze laat. Verander het systeem, en mensen veranderen mee.
Foster is daar minder zeker van. Hij denkt dat consumeren inmiddels een verslaving is geworden, net als roken of sociale media. Niet alleen opgelegd van buitenaf, maar diep verweven met hoe mensen betekenis en identiteit vinden in hun dagelijks leven. Dat klinkt misschien hard, maar hij vindt dat we er eerlijk over moeten zijn. Want als mensen werkelijk verslaafd zijn, is simpelweg “het systeem veranderen” niet genoeg.
Maar hóe kunnen we veranderen?
Zowel Bendell als Foster, net als vele anderen met hen, bieden belangrijke inzichten in de verandering die nodig is om een totale ineenstorting te voorkomen, of ten minste te vertragen. Maar hoe bereik je die verandering in de praktijk? Bendell ziet lokale gemeenschappen misschien niet als oplossing, maar dan wel als uitweg om aan de ergste gevolgen van de crisis te ontkomen.
Ik vroeg John Foster naar zijn oplossing. Hij schreef:
Het dagelijks functioneren van de fossiele brandstofstaat hangt volledig af van (kenniswerkers als – PV) ambtenaren, bestuurders en wetenschappelijke professionals in toezichthoudende en andere publieke instanties en grote dienstensectoren, bedrijfsleiders, juristen, docenten op alle niveaus, ingenieurs, lokale bestuurders, hoge officieren in de strijdkrachten, kortom al diegenen die stilletjes bezig zijn met het praktische werk om het systeem draaiende te houden waarop democratische politici zich profileren en hun retoriek uitdragen.
Dit is vooral zichtbaar in een land als Groot-Brittannië, met een sterke traditie van impliciete epistocratie, waar een opgeleide elite, soms denigrerend “het establishment” genoemd, doorgaans achter de schermen heeft gefunctioneerd om regeringen, gelegitimeerd door democratische tellingen van stemmen, te behoeden voor hun grovere fouten, al verloor deze elite het spoor duidelijk bij Brexit.
Maar alle complexe samenlevingen die het hardst een snelle groene transformatie nodig hebben, zijn alleen levensvatbaar dankzij meerdere groepen mensen die op deze manier werken. Het is niet onrealistisch om te veronderstellen dat deze mensen, of zelfs alleen degenen die het meest doordrongen zijn van de klimaat- en ecologische noodsituatie, de “klimaatbewusten” zoals we ze zouden kunnen noemen, zullen erkennen en besluiten gebruik te maken van de invloed die zij hebben. Ze bezitten een hefboom die ligt in het feit dat een georganiseerde terugtrekking van hun medewerking het sociaal-economische systeem snel tot stilstand zou kunnen brengen.
Op die manier zouden zij hun blokkerende macht bewust kunnen inzetten voor wat je een interne coup zou kunnen noemen, om de vorming af te dwingen van een noodregering, samengesteld uit verschillende politieke stromingen, die zich committeert aan de werkelijk ingrijpende, en democratisch vrijwel onhaalbare, transformatie die nodig is om binnen de grenzen van de planeet te blijven.
Essentiële voorwaarden zijn dat de klimaatbewusten zelf ophouden zo’n benadering bij voorbaat af te wijzen als onaanvaardbaar, bijvoorbeeld omdat die elitair zou zijn (een weinig doordachte term) en dat een georganiseerde politieke actor het voortouw neemt in de noodzakelijke coördinatie. Dat zou de rol kunnen zijn van een werkelijk verantwoordelijke groene partij, als we ons kunnen voorstellen dat zo’n partij ontstaat vanuit de huidige situatie. (Meer hierover in mijn boek ‘Realism and the Climate Crisis‘)
Zo’n scenario geeft hij zelfs meer kans dan wachten op een democratisch systeem dat bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk een Reform-meerderheid kiest, of in Nederland een significante rol geeft aan meneer Wilders, om onze situatie aan te pakken.
Waarom dit gesprek zo belangrijk is
Het bijzondere aan deze discussie is niet zozeer wie er gelijk heeft. Het is de manier waarop ze het gesprek voeren: twee mensen die het fundamenteel oneens zijn, maar toch samen hardop nadenken over een van de moeilijkste vragen van onze tijd: Hoe bestuur je een samenleving die aan het instorten is?
Er zijn geen makkelijke antwoorden en geen enkele keuze is zonder risico. Zelfs gewoon je eigen leven leiden en hopen dat het goed komt is, zoals Foster zegt, geen veilige optie in een wereld die fundamenteel aan het veranderen is. Maar de ultieme voorwaarde om er überhaupt uit te komen is er samen over nadenken en samen tot een aanpak komen. Tot nu toe is dat helaas nog nooit gelukt. Misschien komt dat ook doordat we nog steeds te veel denken in of-of termen. We kunnen het ene doen zonder het andere te laten. Ons enerzijds meer organiseren in lokale gemeenschappen sluit niet uit dat er tegelijk op beleidsniveau radicale ingrepen plaatsvinden door een voorhoede van kenniswerkers die de urgentie begrijpt. Wie gaat zoiets coördineren?
Peter van Vliet

