Al jaren zoeken de milieu- en klimaatbeschermers naar een relaas dat mensen weer verbindt in een duurzamer bestaan. Ze zoeken een nieuw verhaal, zeggen ze. Maar dat hoeft helemaal niet. Het verhaal bestaat, al heel lang en in verschillende vormen. Het ligt verscholen in de andere, niet-wetenschappelijke kennis en ethische uitgangspunten van religies en wereldbeschouwingen en is een basis voor het denken van veel filosofen en, ja, zelfs wetenschappers. In de islam en het humanisme, bij Aristoteles en Haraway en bij economen als Kate Raworth en Tim Jackson.
Je hoeft er niet eens diep voor te graven. Verantwoordelijkheid voor de Aarde en de natuur, evenwicht, respect voor alles wat leeft, onderlinge verbondenheid en matigheid, je vindt het in heel veel geloven, denkrichtingen en overtuigingen terug.
Cijfers zijn duidelijk. Maar liefst driekwart van de mensen wereldwijd vindt zichzelf religieus. Nog eens een vijfde vindt zichzelf spiritueel en gelooft in hogere waarde buiten de traditionele religies om. En maar 5 tot 7% van de mensen noemt zichzelf atheïst en gelooft nergens in, althans niet in spiritueel opzicht.
Die religieuze waarden staan in scherp contrast met de manier waarop een groot deel van de samenleving en vooral de economie werkt. Winstbejag, exploitatie, zelfverrijking en onderdrukking brengen de wereld aan de rand van de afgrond. Ook die zijn gebaseerd op een wijdverbreide, maar tegengestelde overtuiging, die van de vrije markt en het neoliberalisme.
Om de wereld terug in balans te brengen hebben we geen nieuw verhaal nodig. We hoeven alleen maar te leren om de verhalen die er al zijn te horen. Te ontdekken waar we ze kunnen vinden en hoe we ze kunnen samenvoegen tot dat ene grote verbindende verhaal dat ons vertelt hoe we die betere wereld kunnen bereiken.
Ik heb daarom een aantal voorbeelden op een rij gezet als een wegwijzer om verder te zoeken, te lezen en te herontdekken. Om je te verbazen hoe er uit heel verschillende perspectieven uiteindelijk eensgezind wordt gedacht over de basiswaarden van het leven waarmee we ons een duurzame toekomst kunnen verschaffen.
1. Duurzame principes in levensbeschouwing en religie
Humanisme: verantwoordelijkheid binnen grenzen
Het humanisme en duurzaamheid delen een kernidee: de mens is verantwoordelijk voor zijn daden en moet moreel bewust omgaan met zijn macht. Waar het humanisme de waardigheid van de mens benadrukt, legt duurzaamheid de nadruk op grenzen en op het besef dat vrijheid niet onbeperkt kan zijn wanneer zij de leefbaarheid van anderen aantast.
Aangezien humanisten een humane samenleving nastreven waarin mensen met waardigheid een goed leven kunnen leiden, kan dat niet anders dan zorg inhouden voor kwetsbaren in andere landen en ons nageslacht. Als de mens centraal staat, geldt dat evenzeer voor de toekomstige mens als de huidige, en evenzeer voor de mens ver weg als nabij. De meer welvarende landen hebben daarbij een dubbele verantwoordelijkheid: niet alleen hebben zij historisch het meest aan de milieuproblematiek bijgedragen, maar zij hebben ook de meeste (financiële) middelen om die problematiek aan te pakken.
Het humanisme is echter ook bekritiseerd. Volgens sommige auteurs zou aan de ecologische crisis een tweedelige arrogantie ten grondslag liggen die juist kenmerkend is voor het humanisme. Ten eerste het idee dat enkel de mens van morele waarde is. Volgens dit zogenoemd antropocentrische wereldbeeld zou de niet-menselijke natuur alleen van instrumentele waarde zijn, dat wil zeggen van waarde voor zover van belang voor het welzijn van de mens. Ten tweede de hybris dat wetenschap en technologie de mens in staat zouden kunnen stellen de niet-menselijke natuur te ‘onderwerpen’ en te temmen voor nader menselijk nut. Deze ‘arrogantie’ van de mens zou zijn wortels hebben in de Verlichting: René Descartes en Immanuel Kant hielden er beslist een antropocentrisch wereldbeeld op na, terwijl Francis Bacon een belangrijke rol heeft gespeeld voor de ontwikkeling van het huidige technologie-optimisme.
Verschillende humanisten hebben echter laten zien dat, hoewel de analyse van de diepere oorzaken van de ecologische crisis juist kan zijn, antropocentrisme en hybris niet essentieel zijn voor het humanisme. In Nederland hebben bijvoorbeeld de humanistische filosofen Hans Achterhuis, Wouter Achterberg, Marcel Wissenburg en Henk Manschot beargumenteerd dat het humanisme evenzeer verenigbaar is met respect voor de niet-menselijke natuur, oftewel een biocentrisch of ecocentrisch wereldbeeld. Ook is het humanisme verenigbaar met scepsis ten aanzien van de mogelijkheden van de technologie en de opvatting dat de natuur met voorzorg dient te worden benaderd. Hoewel het humanisme een intrinsiek optimisme herbergt ten aanzien van de mogelijkheden en verantwoordelijkheid om het eigen leven vorm te geven, betekent dat optimisme niet per se een blind vertrouwen op de veerkracht van de natuur en op het oplossend vermogen van wetenschap en techniek.
Oosterse tradities: verbondenheid en matiging
In het boeddhisme en taoïsme staat onderlinge afhankelijkheid centraal. Alles beïnvloedt elkaar; mens, dier en natuur vormen één levend geheel. De boeddhistische notie van afhankelijk ontstaan en het taoïstische principe wu wei – handelen in overeenstemming met de natuur – sluiten naadloos aan bij ecologisch denken, hoewel de relatie met duurzaamheid in het oude boeddhisme niet altijd even nadrukkelijk aanwezig was.
Tegenwoordig hebben zowel het westerse boeddhisme als de milieubeweging zich kritisch uitgelaten over een materialistische consumptiecultuur. Binnen het boeddhisme wordt consumentisme gezien als een ineffectieve manier om menselijk lijden aan te pakken. In de milieubeweging geldt het juist als een drijvende kracht achter door de mens veroorzaakte milieuschade, verlies van biodiversiteit en uitputting van hulpbronnen, en later ook achter de opwarming van de aarde.
Vroege milieudenkers gaven vaak de Abrahamitische religies de schuld van het bevorderen van een mensgericht wereldbeeld dat de exploitatie van de natuur aanmoedigde. Daartegenover idealiseerden zij Aziatische religieuze tradities, waaronder het boeddhisme, als minder materialistisch en meer in harmonie met de ecologie.
De hindoe filosofie beschouwt de natuur niet louter als een hulpbron, maar als een heilige manifestatie van het goddelijke, en benadrukt de onderlinge verbondenheid van al het bestaan. Belangrijke teksten zoals de Veda’s, Upanishads, Bhagavad Gita en Purana’s bevatten uitgebreide leringen over het behouden van ecologisch evenwicht, het beschermen van natuurlijke hulpbronnen en het vermijden van vervuiling.
Fundamentele concepten die hierin worden besproken zijn onder meer de alomtegenwoordigheid van Brahman in de natuur, de onderlinge afhankelijkheid van de vijf grote elementen (Panchamahabhoota’s) en de dynamische kracht van Prakriti. Specifieke voorschriften in de geschriften moedigen praktijken aan zoals het planten van bomen, het beschermen van rivieren en bossen en het tonen van eerbied voor alle levensvormen.
De filosofie van Vasudhaiva Kutumbakam, die de wereld beschouwt als één familie, onderstreept de gedeelde verantwoordelijkheid voor het welzijn van de planeet. Het principe van Ahimsa, geweldloosheid, strekt zich ook uit tot het milieu en pleit voor een harmonieuze co-existentie en duurzaam gebruik van hulpbronnen.
Traditionele praktijken, zoals de verering van heilige natuurelementen en het in stand houden van heilige bosgebieden, vormen historische voorbeelden van natuurbehoud. Ook de koppeling van hindoeïstische godheden aan aspecten van de natuur versterkt het idee van haar intrinsieke heiligheid.
De tekst concludeert dat deze oude leringen een samenhangend ethisch kader en waardevolle inzichten bieden voor het aanpakken van hedendaagse milieuproblemen, via een holistische en respectvolle benadering van de natuurlijke wereld.
Inheemse visies: de aarde als partner
In inheemse wereldbeelden wordt de natuur gezien als bezield, niet als bezit maar als partner. De aarde heeft rechten en waardigheid. Deze gedachte keert terug in hedendaagse discussies over rechten van de natuur en planetary stewardship: de overtuiging dat zorg voor de aarde niet slechts een keuze is, maar een morele plicht.
Christelijk rentmeesterschap
Binnen het christendom leeft al eeuwen de gedachte dat de mens de aarde in beheer heeft, niet in eigendom. Rentmeesterschap betekent verantwoordelijkheid dragen voor iets dat niet van jou is. Paus Franciscus hernieuwde dat idee in zijn encycliek Laudato Si’, waarin hij oproept tot een “ecologische bekering”: zorg voor de schepping als spirituele taak.
Islamitische perspectieven: balans en gerechtigheid
De islam kent een vergelijkbare ethiek van zorg en verantwoordelijkheid. In de Koran wordt de mens aangeduid als khalifa, rentmeester van de aarde, en de schepping als trust (amana): iets wat God heeft toevertrouwd. Het begrip mizan verwijst naar de natuurlijke balans die niet verstoord mag worden, terwijl wasatiyya – matiging en evenwicht – een morele deugd is. De islam benadrukt bovendien adl, gerechtigheid: ware duurzaamheid gaat niet alleen over natuurbehoud, maar ook over sociale rechtvaardigheid en het voorkomen van uitbuiting.
Joods milieubewustzijn
Het jodendom en milieubewustzijn raken elkaar op veel niveaus. De natuurlijke wereld speelt een centrale rol in de Joodse wet, literatuur, liturgie en andere praktijken. Binnen het Joodse denken bestaan uiteenlopende opvattingen over de relatie tussen mens en milieu. Bewegingen zoals Eco-Kashrut en vieringen zoals Tu BiShvat weerspiegelen ecologische waarden, en het moderne Joodse milieudenken is vooral in Noord-Amerika sterk gegroeid.
2. Duurzaamheid in filosofie en sociologie
Aristoteles: maat en matiging
Al bij Aristoteles vinden we het idee van een leven in balans. Zijn gulden middenweg pleit voor matiging tussen tekort en overdaad. Die houding vormt de basis van de deugdethiek en keert terug in moderne duurzaamheidsidealen: niet meer nemen dan nodig is, en streven naar evenwicht.
Spinoza: de mens als deel van de natuur
Baruch Spinoza beschreef God en Natuur als één en hetzelfde. De mens is geen heerser, maar onderdeel van die ene substantie. Zijn rationele maar spirituele natuurfilosofie inspireert hedendaagse ecodenkeners: respect voor de natuur betekent zelfinzicht, want wie de natuur vernietigt, vernietigt ook een deel van zichzelf.
Rousseau: terug naar eenvoud
Jean-Jacques Rousseau zag in de moderne samenleving een bron van vervreemding. Hij pleitte voor eenvoud en herverbinding met de natuur – een gedachte die nog steeds doorklinkt in de populaire verbeelding van duurzaam leven: het verlangen naar zuiverheid, traagheid en echtheid.
Hans Jonas: verantwoordelijkheid voor de toekomst
De Duitse filosoof Hans Jonas formuleerde misschien wel de belangrijkste ethische basis van duurzaamheid. In Das Prinzip Verantwortung (1979) stelt hij dat de technologische macht van de mens een nieuw moreel gebod vereist: handel zo dat de voorwaarden voor toekomstig leven behouden blijven. Jonas verbindt ethiek, technologie en toekomst tot één moreel kader.
Arne Naess en de diepe ecologie
De Noorse filosoof Arne Naess introduceerde het idee van deep ecology: niet alleen mensen, maar alle levensvormen hebben intrinsieke waarde. Duurzaamheid is dan niet slechts instrumenteel (de aarde behouden voor onszelf), maar moreel: respect voor het leven als geheel.
Bruno Latour: de aarde als actor
De Franse denker Bruno Latour brak met het moderne onderscheid tussen natuur en cultuur. In Facing Gaïa ziet hij de aarde als handelend wezen, niet als decor. Politiek, wetenschap en ecologie zijn volgens hem onlosmakelijk verbonden. Latour beschouwt duurzaamheid als een nieuwe vorm van politiek bewustzijn: de mens als deel van een planetaire gemeenschap.
Donna Haraway: zorg en verwevenheid
De Amerikaanse filosoof Donna Haraway benadrukt in Staying with the Trouble dat de toekomst niet ligt in zuiverheid of terugkeer, maar in verbondenheid en zorg. Mensen, dieren, technologie en natuur zijn voortdurend met elkaar verweven. Duurzaamheid is geen eindtoestand maar een manier van samenleven.
3. De botsing met de economische werkelijkheid
De groei-economie als wereldbeeld
Waar duurzaamheid, net als veel religies en levensbeschouwingen pleit voor balans, draait de wereld vooral op (en om) economische groei. Sinds de industriële revolutie is het idee dat welvaart gelijkstaat aan groei de leidende overtuiging. Het bruto binnenlands product bepaalt het beleid, alsof meer productie automatisch gelijkstaat aan vooruitgang. Karl Polanyi beschreef in The Great Transformation al in 1944 hoe de economie zich losmaakte van morele en sociale grenzen en tot autonoom systeem werd. In die zin is het marktfundamentalisme zelf een vorm van levensbeschouwing, en volgens sommigen zelfs een vorm van religie, een geloof waarin alles meetbaar, verhandelbaar en vervangbaar wordt en ondergeschikt is aan grenzeloze groei.
De paradox van duurzaamheid binnen het kapitalisme
Er zijn economen en politici die een groene economie samen zien gaan met groei, maar in de praktijk blijft het systeem gebaseerd op extractie en consumptie. Bedrijven verduurzamen processen, maar streven nog altijd naar meer verkoop. Overheden investeren in hernieuwbare energie, maar blijven economische expansie als hoofddoel zien. Zo ontstaat wat socioloog Ulrich Beck een risicomaatschappij noemde: een wereld die zijn eigen vooruitgang moet beheersen.
Economen als Kate Raworth (met haar Donut Economie) en Tim Jackson (Prosperity without Growth) proberen een nieuw raamwerk te schetsen. Hun kernboodschap: echte welvaart ligt niet in kwantitatieve groei, maar in kwaliteit van leven binnen ecologische grenzen.
Culturele tegenkracht
De duurzaamheidsethiek staat met haar nadruk op zorg, matiging en rechtvaardigheid haaks op de logica van permanente groei. Ze stelt morele grenzen aan een systeem dat juist op grenzeloosheid drijft.
In die zin is duurzaamheid niet alleen een milieuagenda, maar ook een culturele tegenbeweging. Ze biedt een alternatief verhaal over wat vooruitgang betekent: niet sneller en meer, maar dieper en beter. En vooral samen.
4. Een groene kerk?
Omdat duurzaamheid morele en existentiële betekenis geeft, wordt ze soms weggezet als de ‘groene kerk’. Critici wijzen op de religieuze kenmerken: rituelen (afval scheiden, vlees laten), heilige symbolen (de elektrische auto, het zonnepaneel), en een sterk gevoel van schuld en verlossing.
Filosofen als John Gray noemen het milieudenken een seculiere vorm van geloof, waarin de mens zichzelf opnieuw tot redder van de wereld verheft. Roger Scruton erkent de waarde van ecologische zorg, maar waarschuwt voor de moralistische toon en de neiging tot simplificatie: alsof individuele zonden en bekering de planeet kunnen redden.
Die kritiek mist kern. Duurzaamheid biedt niet alleen moreel houvast, maar ook bescherming tegen rampen en instorting. Angst en de behoefte om anderen te waarschuwen kan doorslaan in morele zuiverheid en sociale druk. Dat werd vooral zo ervaren toen de gevolgen van klimaatverandering en het verval van sociale cohesie nog niet zo duidelijk waren als nu. En in tegenstelling tot veel religies streeft duurzaamheid geen beter leven na de dood na, maar juist een veilig leven nu en in de toekomst op Aarde.
Bovendien is een religieuze vibe niet per se een zwakte. Zoals Bruno Latour stelt, hebben we juist een vorm van “politieke theologie van de aarde” nodig: een manier om de wereld weer als heilig te ervaren, zonder in dogma’s te vervallen. De uitdaging is dus niet om duurzaamheid te ontdoen van mythes, maar om haar open en zelfkritisch te houden als een moreel kompas dat verbindt in plaats van verdeelt.
Levensbeschouwing als verhaal
Duurzaamheid is geen geloof, maar ze vervult wél een zingevende functie: ze geeft richting, gemeenschap en betekenis in een tijd van morele leegte en ze biedt perspectief op een veilige toekomst. Ze put uit eeuwenoude tradities, zoals humanistisch, oosters, christelijk, islamitisch en uit het denken van filosofen die de mens zagen als onderdeel van een groter geheel.
Dat maakt haar krachtig, maar ook kwetsbaar. Want zolang de wereld wordt bestuurd door een economie die grenzeloosheid als norm ziet, blijft duurzaamheid voor velen een tegenstem, geen dominante kracht. Haar werkelijke potentieel ligt in het verbindende ideaal van zorg, rechtvaardigheid en matiging als nieuwe maat van welvaart. In een levensbeschouwing die niet draait om groei, maar om het verhaal van genoeg en met elkaar.
Bronnen:
Religieuze en levensbeschouwelijke tradities
Filosofen en denkers
- Aristoteles
- Arne Næss – Deep Ecology
- Baruch Spinoza
- Bruno Latour – Facing Gaïa (2015)
- Donna Haraway – Staying with the Trouble (2016)
- Hans Jonas – Das Prinzip Verantwortung (1979)
- Jean-Jacques Rousseau
- John Gray – Straw Dogs (2002)
- Roger Scruton – Green Philosophy (2012)
Moderne economie en maatschappij
Blijf op de hoogte met de nieuwsbrief. Meld je hier aan.
( Je kunt ons ook steunen door lid te worden of te doneren )
