Volg Duurzaamnieuws op Google News | Discover | of als voorkeursbron op Google
In 1839 veranderde Charles Goodyear een hardnekkig probleem met rubber in een materiaal dat tegen hitte en kou kon. Die toevallige vondst groeide uit tot de basis voor banden, schoenzolen en talloze andere producten.
Lang voordat rubber in de fabriek belandde, gebruikten inheemse volkeren in Amerika al latex van de rubberboom. Europese ondernemers zagen er later een goudmijn in, maar het materiaal werd plakkerig in de zomer en keihard in de winter. In Woburn experimenteerde de ongeschoolde uitvinder Charles Goodyear met zwavel en rubber, terwijl de race om een bruikbaar procédé al snel ook een juridische strijd werd: de Brit Thomas Hancock vroeg op 21 november 1843 als eerste patent aan op vulkanisatie.
De oplossing lag al deels op tafel
Goodyear had in 1837 de rechten gekocht op een methode waarbij zwavel door rubber werd gemengd. Dat maakte het materiaal gelijkmatiger, maar het bleef onbetrouwbaar zodra de temperatuur veranderde.
Hij bleef sleutelen aan de samenstelling en ontdekte in 1842 dat stoom onder druk het resultaat fijner en stabieler maakte. Daarmee was het proces klaar voor gebruik op grotere schaal.
Ruw rubber jaagde fabrikanten op kosten
Een werker bedient grote vulkanisatiepersen met verwarmde vormen voor de productie van autobanden. Beeld: Britannica.
In het begin van de negentiende eeuw zagen ondernemers vooral kansen in waterdichte jassen en laarzen. Bij warm weer kon dat soort rubber echter zacht, kleverig en bijna vloeibaar worden, met een flinke onaangename geur erbij.
Bij kou sloeg het materiaal de andere kant op: het werd hard en kon barsten als glas. Voor fabrieken was dat een dure ellende, want een product dat in de zomer smelt of in de winter scheurt, verkoop je niet lang.
Goed om te weten
De naam vulkanisatie verwijst naar Vulcanus, de Romeinse god van vuur en smeedkunst. Hitte is precies wat de zwavel en het rubber blijvend aan elkaar bindt.
Zo krijgt rubber zijn veerkracht
Vulkanisatie klinkt ingewikkeld, maar het idee is goed voor te stellen. Ruw rubber bestaat uit lange molecuulketens die langs elkaar schuiven, een beetje als losse slierten spaghetti op een bord.
Door verhitting vormt zwavel kleine verbindingen tussen die ketens. Die moleculaire bruggen houden het materiaal bij elkaar, zodat het kan rekken en terugveren zonder bij warmte weg te zakken of bij vorst bros te worden.
Rubber kreeg daardoor tegelijk stevigheid en soepelheid. Machines, transportmiddelen en waterdichte spullen waren juist van die combinatie afhankelijk.
Een band is maar het begin
De doorbraak belandde al snel in veel meer dan alleen banden. Gevulkaniseerd rubber werd bruikbaar voor onder meer:
- pneumatische banden voor fietsen, auto’s en vliegtuigen;
- pakkingen die leidingen en machines afsluiten;
- schoenzolen, handschoenen en slangen;
- transportbanden in fabrieken.
Zonder dit materiaal zouden voertuigen nauwelijks comfortabel en betrouwbaar kunnen rollen. Ook in Nederland merk je dat nog elke dag: van een fietsband in de regen tot afdichtrubbers in warmtepompen, kranen en industriële installaties.
Elektrische auto’s, windmolens en veel technische systemen gebruiken nog altijd rubberen onderdelen die trillingen dempen, kabels beschermen of vloeistoffen binnenhouden.
Zijn naam kreeg alsnog een tweede leven
De uitvinding bracht Goodyear geen fortuin. Jarenlange rechtszaken over patenten kostten hem veel geld, en hij stierf in 1860 in New York met schulden.
Een bandenmerk dat in 1898 door Frank Seiberling werd opgericht, draagt nog steeds de naam Goodyear en houdt zo de herinnering levend aan de uitvinder die rubber eindelijk betrouwbaar maakte.

