Volg Duurzaamnieuws op Google News | Discover | of als voorkeursbron op Google
Lage doses sulfoxaflor blijken bij hommelwerksters al ingrijpende gevolgen te kunnen hebben. Onderzoekers van Georgia Tech zien een risico voor de voortplanting, terwijl bestuivers onmisbaar zijn voor een groot deel van onze voedselteelt.
Sulfoxaflor kwam in 2013 op de markt als middel tegen sapzuigende plagen, zoals bladluizen. Het middel ligt sindsdien geregeld onder een vergrootglas vanwege de mogelijke effecten op bijen. In een in 2026 verschenen studie, gepubliceerd in het tijdschrift Ecotoxicology and Environmental Safety, volgde een team van Georgia Tech met RNA-analyses wat er gebeurt in het eierstokweefsel van blootgestelde hommels. Dat raakt ook Nederlandse akkers en boomgaarden, waar bestuivers en plaagbestrijding allebei onmisbaar zijn.
De schade kan doorwerken tot in de kolonie
Een hommelwerkster is maar zo’n 2,5 centimeter lang, maar haar werk reikt veel verder dan de bloem waar ze op landt. Bestuivers zoals bijen zijn betrokken bij ongeveer een derde van de wereldwijde voedselproductie, van fruit en groente tot noten en zaden.
Dat maakt schade aan hommels ook voor de landbouw een risico. Als kolonies minder nieuwe dieren voortbrengen, kunnen er op termijn minder hommels beschikbaar zijn voor de bestuiving van gewassen.
In het eierstokweefsel veranderde het meeste
Het team van Georgia Tech, onder leiding van Sarah E. Orr van Georgia Tech (School of Biological Sciences), stelde werksters van de hommelsoort Bombus impatiens bloot aan lage doses sulfoxaflor. Daarna onderzochten de wetenschappers meerdere weefsels, waarbij de grootste verschuivingen in genactiviteit juist in de eierstokken opdoken.
De weefsels werden direct ingevroren en op RNA onderzocht. RNA laat zien welke genen in een cel aan het werk zijn, een beetje als een momentopname van de biologische processen die op dat moment draaien.
- De onderzoekers maten veranderingen in genexpressie na blootstelling aan sulfoxaflor.
- Computermodellen brachten in kaart welke biologische systemen het hardst geraakt werden.
- De opvallendste effecten zaten in processen die met voortplanting samenhangen.
Van een molecuul naar minder nakomelingen
Genen die minder of juist meer actief worden, betekenen niet automatisch dat een kolonie meteen instort. De onderzoekers zien wel een aannemelijke route: verstoorde processen in de eierstokken kunnen ertoe leiden dat werksters minder nakomelingen produceren.
“Deze studie verbindt veranderingen in genactiviteit met gevolgen voor individuele bijen en hun kolonies. Zo’n verband zien we zelden zo duidelijk.”
Michael Goodisman, hoogleraar biologische wetenschappen aan Georgia Tech
Veel onderzoek naar bestrijdingsmiddelen blijft steken bij directe sterfte of zichtbaar gedrag. Hier keken de onderzoekers naar een stiller effect dat pas later doorwerkt in de omvang en gezondheid van een hommelkolonie.
Hommels krijgen meer voor hun kiezen
Sulfoxaflor staat niet op zichzelf. Stijgende temperaturen en vaker voorkomende hittegolven zetten hommelpopulaties volgens het onderzoek ook onder druk, waardoor meerdere stressfactoren tegelijk kunnen optellen.
Voor boeren is dat een lastige puzzel. Sapzuigende insecten kunnen gewassen flink beschadigen, terwijl hommels en andere bestuivers nodig zijn om een deel van de oogst mogelijk te maken.
Gezonde hommelpopulaties zijn volgens onderzoeksleider Sarah Orr een voorwaarde voor betrouwbare bestuiving. Orr, inmiddels universitair docent aan de University of Tampa, pleit voor oplossingen die plaagbestrijding mogelijk maken zonder nuttige insecten mee te raken.
Wat betekent dit voor Europa?
In Nederland en de rest van Europa draait het debat over gewasbescherming om de vraag hoe je plagen onder controle houdt zonder biodiversiteit verder te belasten. Lage doses sulfoxaflor kunnen al meetbare veranderingen in voortplantingsweefsel veroorzaken.
De studie toont nog niet aan hoeveel hommelkolonies buiten het laboratorium hierdoor kleiner worden. Wel maakt zij duidelijk dat toelating en gebruik van pesticiden ook moeten kijken naar effecten die niet meteen zichtbaar zijn in een veld of kas.
De onderzoekers willen vervolgens testen hoe de veranderingen in genactiviteit zich vertalen naar het aantal nakomelingen en de ontwikkeling van complete kolonies onder praktijkomstandigheden.


