Overstromingen en extreme hitte ervaren we nu al; misoogsten zullen onvermijdelijk volgen. Een nieuwe pandemie of energiecrisis kan ieder moment uitbreken. Tegelijkertijd moet de wereldeconomie blijven groeien, naar verwachting zelfs verdrievoudigen tegen 2060. Wat betekent dat voor het milieu? En hoe ontwikkelt zich de veiligheid en de rivaliteit tussen grootmachten?
Wetenschappers waarschuwen dat al deze ontwikkelingen via complexe ketens van oorzaak en gevolg en van terugkoppelingslussen samenkomen in één onlosmakelijk geheel: een mondiale polycrisis. Om daar doorheen te navigeren hebben we een ruwe kaart van de toekomst nodig, een overzicht van mogelijke richtingen, knelpunten, struikelblokken én kansen.
Zo’n kaart vormt de kern van wat Michael J. Albert planetair toekomstdenken noemt in het boek ‘Linksom of Rechtsom door de Polycrisis‘: een transdisciplinaire benadering die complexiteitswetenschap, systeemdynamica en kritische theorie verbindt. Daarmee kan hij decennia vooruitblikken, 10, 20, zelfs 30 jaar. Zijn analyse vertrekt vanuit de wisselwerking tussen klimaat, energie, voedsel en kapitalisme, en breidt die steeds verder uit met factoren als geopolitieke spanningen, nationalisme, extreemrechts populisme, terrorisme en technologische risico’s.
Het resultaat is een zevental mogelijke wereldpaden. Wat betekenen die scenario’s voor ons milieu, ons economische systeem, voor ons bestaan? Albert schetst toekomstbeelden die misschien ver lijken, maar wel degelijk tot de realiteit kunnen behoren. En hij maakt duidelijk welke rol wij daarin zelf kunnen spelen.
Zeven mogelijke toekomsten
1. Ineenstorting
Het somberste scenario. Klimaat-, economische en sociale crises versterken elkaar zodanig dat staten uit elkaar vallen, geweld toeneemt, en grote delen van de wereld onleefbaar worden. Denk aan oorlogen om water, klimaatvluchtelingen en verspreiding van massavernietigingswapens (inclusief door niet-statelijke actoren).
Het resultaat? Een wereld waarin nog slechts kleine groepjes mensen overleven in koele streken, onder primitieve omstandigheden. De mensheid zou in dit scenario zelfs kunnen uitsterven, al acht de auteur dat niet het meest waarschijnlijke uitkomst, maar wel eentje die serieus genomen moet worden.
2. Neofeodalisme
In dit pad stort de wereldorde in, maar niet volledig. In plaats van chaos ontstaat er een soort nieuw middeleeuws systeem, waar machtige elites kleine gebieden controleren, vaak via geweld of schijndemocratie.
Groepen burgers, bedrijven of militaire leiders organiseren zichzelf tot ministaatjes of forten. Grote delen van de wereldbevolking worden aan hun lot overgelaten. Het kapitalisme sterft af, maar wat ervoor in de plaats komt is weinig hoopgevend: ongelijkheid, lokale machthebbers en ecologische afbraak.
3. Instabiele Techno-Leviathan
In dit scenario proberen landen met geavanceerde technologieën de wereldproblemen te managen zonder hun economische modellen te veranderen. Denk aan kunstmatige intelligentie, robotica, klimaat-engineering (zoals zonnestralingsbeheer) en CO₂-verwijdering.
Klinkt futuristisch? Zeker. Maar dit pad leidt tot grote instabiliteit: werkloosheid, toenemende ongelijkheid, geopolitieke spanningen en een groeiende onderklasse. Niet-statelijke terroristen gebruiken ook nieuwe tech, en surveillance en repressie worden het antwoord.
Uiteindelijk blijft dit scenario een gevaarlijke tussenfase die gemakkelijk kan ontsporen richting een ineenstorting of een neofeodale wereld.
4. Stabiele Techno-Leviathan
De meer stabiele variant: landen als China of de VS (of een alliantie) gebruiken technologie én overheidssturing om orde en groei te bewaren. Klimaatverandering wordt nét genoeg beteugeld (rond 2°C), ongelijkheid enigszins aangepakt, en economische groei hervat via de “vierde industriële revolutie”.
Klinkt beter? Ja, maar dit model kent een schaduwzijde. Een elite profiteert, terwijl grote groepen mensen sociaal en economisch buitenspel blijven. Mega-steden floreren, maar de rest van de wereld fungeert als ‘grondstoffenachterland’. Surveillance, repressie en digitale isolatie zijn onderdeel van de deal.
5. Ecomodernistisch socialisme
Een meer linkse variant op het vorige pad. Hier kiezen landen bewust voor gelijkere verdeling van middelen, arbeidsrechten, groene technologie en internationale samenwerking. De focus ligt op duurzaamheid én rechtvaardigheid.
Hoewel dit scenario aantrekkelijk lijkt, waarschuwt de auteur dat ook deze paden niet zonder spanningen zijn. Er blijft druk op grondstoffen, biodiversiteit en periferiegebieden. Er is bovendien kans op techno-autoritaire neigingen als staten sociale controle nodig achten om de groene transitie te waarborgen.
6. Gefortificeerd ontgroeien
Stel dat landen kiezen voor ontgroei (minder productie, minder consumptie, meer duurzaamheid), maar dan achter gesloten grenzen. Rijke landen trekken zich terug, beperken migratie en militariseren grenzen.
In dit scenario ontstaan weliswaar duurzamere systemen in het mondiale Noorden, maar het Zuiden wordt uitgesloten. Er is risico op ecofascisme: een combinatie van ecologische zorgen en autoritaire reflexen. Kortom, het idee van ‘ontgroei’ wordt hier ingezet voor exclusiviteit in plaats van solidariteit.
7. Abolitionistisch ecosocialisme
Het meest hoopvolle pad. Hier combineren landen het beste van ontgroei, duurzaamheid en sociale rechtvaardigheid. Rijke landen nemen hun historische verantwoordelijkheid serieus, werken samen met het Zuiden en investeren in herverdeling, heropbouw en klimaatadaptatie. Denk aan open grenzen, nieuwe inclusieve steden in het noorden, hernieuwbare energie, massale herbebossing, eco-agroprojecten, eerlijke handel én wereldwijde mensenrechten.
Albert erkent dat dit een ongelooflijke mate van samenwerking vereist, en planning en geluk. Maar het is mogelijk, als we het maar willen.
Paden zijn geen eindbestemmingen
Belangrijk: deze paden zijn geen vaste routes, laat staan eindpunten. De wereld kan van het ene scenario naar het andere glijden, bijvoorbeeld van een instabiele techno-leviathan naar neofeodalisme, of juist van gefortificeerd ontgroeien naar abolitionistisch ecosocialisme.
Alles hangt af van politieke keuzes, technologische ontwikkelingen, grassrootsbewegingen en onverwachte schokken. Dit maakt het des te belangrijker dat we deze scenario’s gebruiken als denk- en handelingskaders, niet als toekomstvoorspellingen.
Naar een strategie van hoop én realisme
De auteur pleit voor wat hij een “contra-hegemonische navigatiepraktijk” noemt: strategieën om collectieve macht op te bouwen tegen de dominante (fossiele of technocratische) logica van vandaag.
Concreet betekent dat:
- Strijden voor een groen keynesianisme: een groene New Deal, klimaatfinanciering, belastingshervorming, technologische innovatie, maar wel met oog voor sociale rechtvaardigheid.
- Vooruitdenken over crisismomenten: een ‘groene inflatiecrisis’ of economische schok kan ook een kans zijn om radicaal van koers te veranderen.
- Coalities bouwen tussen arbeidersbewegingen, klimaatactivisten, antiracismegroepen en feministen, lokaal én globaal.
- Democratische controle eisen over nieuwe technologieën (zoals gezichtsherkenning, AI-wapens, genetische manipulatie).
En vooral: de strijd niet opgeven, zelfs als we onderweg met tegenwind, tegenslagen en dystopische episodes te maken krijgen.
Wat als het misgaat?
De auteur waarschuwt ook voor defaitisme: het idee dat alles toch al verloren is. Hij erkent dat veel mensen (en ook activisten) soms denken dat we “nog tien jaar hebben” om het klimaat te redden en dat daarna alles voorbij is.
Maar zelfs bij een opwarming van 2,5 of 3°C is de strijd niet per definitie verloren. Het blijft mogelijk om rampscenario’s te verzachten, gemeenschappen te beschermen en zelfs alternatieve systemen op te bouwen in de schaduw van het oude.
Zelfs in een ineenstorting kunnen nieuwe vormen van solidariteit, rechtvaardigheid en herstel ontstaan. Denk aan inheemse tradities, zwarte en migranten-futurismen, of lokale weerbaarheid. Dystopische verbeelding kan daarbij helpen: niet om te zwelgen in doem, maar om ons mentaal en emotioneel voor te bereiden.
Valkuilen
Albert waarschuwt voor twee valkuilen: naïef techno-optimisme, het geloof dat technologie alles zal oplossen, en cynisch pessimisme, het opgeven van hoop en engagement uit angst voor mislukking.
Wat we nodig hebben is een ethiek die accepteert dat we niet alles kunnen beheersen; die zoekt naar nieuwe bronnen van kracht, betekenis en verbondenheid; en die inzet op wat wél mogelijk is, zelfs als het maar een beetje helpt.
En zoals Joanna Macy zegt: actieve hoop is niet geloven dat we zullen winnen, maar blijven handelen omdat het juist is, los van het resultaat.
Linksom of rechtsom door de polycrisis, Michael J. Albert is vertaald door Gertjan Cobelens en uitgegeven door 4eco.
Blijf op de hoogte met de nieuwsbrief. Meld je hier aan.
( Je kunt ons ook steunen door lid te worden of te doneren )