Twee Aziatische bidsprinkhanen zijn op 11 juli officieel als invasief in Europa aangemerkt. Hierodula tenuidentata en H. patellifera breiden zich snel uit en zetten de druk op inheemse insecten en bestuivers verder op scherp.
Europa krijgt er twee bijzonder succesvolle rovers bij. De Aziatische bidsprinkhanen Hierodula tenuidentata en H. patellifera verspreiden zich snel in een warmer en steeds stedelijker landschap en planten zich in hoog tempo voort: één eipakket kan gemiddeld zo’n tweehonderd jongen opleveren. Daarmee nemen ze het op tegen bestuivers, andere insecten en zelfs kleine dieren als boomkikkers en hagedissen, terwijl inheemse bidsprinkhanen ook bij paringen het onderspit kunnen delven. Onderzoekers rond Roberto Battiston waarschuwen dat de opmars gevolgen kan hebben voor kwetsbare Europese ecosystemen.
Al ongeveer 10 jaar in Europa
Roberto Battiston, verbonden aan het Museum voor Archeologie en Natuurwetenschappen G. Zannato, onderzocht met collega’s hoe de twee soorten zich gedragen in Europese ecosystemen. Hun studie in het Journal of Orthoptera Research laat zien dat de bidsprinkhanen hier al ongeveer tien jaar aanwezig zijn, maar vooral de laatste jaren hard zijn toegenomen.
De dieren duiken inmiddels geregeld op in parken en tuinen, melden mensen die ze daar zien. Veel mensen vinden zo’n groene rover gewoon een bijzondere tuinbezoeker, terwijl de ecologische gevolgen pas net goed in beeld komen.
Hun succes begint al bij de jonge dieren
Twee glazen containers met twijgen en substraat waarin eipakketten en mogelijk jonge Aziatische bidsprinkhanen worden gehuisvest. Beeld: mantis monarch – WordPress.com.
De twee Hierodula-soorten brengen een groot deel van hun leven door in bomen en struiken. Jonge bidsprinkhanen eten elkaar bovendien minder vaak op dan jonge exemplaren van de Europese bidsprinkhaan Mantis religiosa, waardoor meer dieren volwassen worden en zich verder kunnen verspreiden.
Goed om te weten
Inheemse bidsprinkhanen gelden als aanwijzing dat een gebied veel verschillende soorten herbergt. Hun achteruitgang kan iets zeggen over de bredere gezondheid van een ecosysteem.
Vooral eilanden rond de Middellandse Zee vragen volgens het onderzoek extra aandacht. Daar leven veel ongewervelden en kleine gewervelden die nergens anders voorkomen, en een nieuw roofdier kan daar sneller een hele lokale populatie raken.
Steden geven de rovers extra tijd
Stedelijke en voorstedelijke gebieden blijken bijna ideale leefplekken. De bidsprinkhanen gebruiken bouwwerken, struiken en insectenhotels als jachtplek, terwijl warmere steden hen helpen om later in het koude seizoen actief te blijven. Zo rekken stedelijke hitte-eilanden hun overlevingskansen flink op.
Huiskatten zijn de belangrijkste gewervelde vijand van deze invasieve bidsprinkhanen. Zij waren verantwoordelijk voor 45 procent van de vastgelegde gevallen waarin een dier de nieuwkomers opat. Katten maken echter geen onderscheid: ze vangen ook Europese bidsprinkhanen, die juist in verstedelijkte gebieden al onder druk staan.
- Insectenhotels kunnen als jachtplek dienen voor Hierodula-bidsprinkhanen.
- Vrij rondlopende katten pakken zowel de invasieve als de inheemse soorten.
- Warme stadswijken verlengen het seizoen waarin de dieren actief blijven.
Meer dan 2.300 meldingen maken de opmars zichtbaar
Een burgerwetenschapsproject, opgezet door William di Pietro en Antonio Fasano binnen GRIO, heeft inmiddels meer dan 2.300 meldingen verzameld. Zulke waarnemingen laten zien waar populaties opduiken en hoe snel ze zich verplaatsen, zeker in tuinen en stedelijke groenzones waar professionele tellingen beperkt zijn.
In de winter zijn de eipakketten het makkelijkst te vinden, omdat bomen en struiken dan hun blad kwijt zijn. Die bruine, sponsachtige pakketjes zijn ongeveer 2 tot 3 cm groot en zitten vaak op takken. Wie er een aantreft, doet er verstandig aan eerst een specialist te raadplegen voordat het pakket wordt weggehaald, want ook inheemse bidsprinkhanen leggen eieren die je niet per ongeluk wilt verwijderen.
Gericht volgen wordt nu belangrijker
De opmars laat zien hoe bebouwing en een warmer klimaat grenzen kunnen verschuiven die soorten vroeger vanzelf tegenhielden. Voor natuurbeheerders ligt de nadruk op gerichte monitoring, vooral op plekken waar kwetsbare soorten en veel geschikte jachtplekken samenkomen.
De eerstvolgende stap is het risico per gebied beter in kaart brengen, met extra aandacht voor de mediterrane eilanden waar Battiston en zijn collega’s op wijzen: gebieden met unieke insecten, kikkers en hagedissen die nergens anders voorkomen.

