Stel je voor: het is 2100. Bijna iedereen op aarde heeft een welvaartsniveau dat vergelijkbaar is met dat van de rijkste landen vandaag. De opwarming van de aarde is beperkt gebleven tot onder de twee graden. En de miljardairs? Die betalen eindelijk hun eerlijke deel. Het klinkt als een droom. Maar volgens een nieuw, internationaal wetenschappelijk rapport is het gewoon een kwestie van politieke wil om een leefbare wereld voor iedereen te bereiken. Te mooi om waar te zijn? We houden het plan tegen het licht.
De wereld staat op een kruispunt
We leven in een tijd van meerdere crises tegelijk, klimaatverandering, groeiende ongelijkheid, politiek extremisme en economische spanningen die steeds verder oplopen. Wetenschappers noemen dit de polycrisis, en de vraag is niet óf we moeten ingrijpen, maar hóe.
Het World Inequality Lab (WIL) publiceerde deze week het Global Justice Report, een van de meest uitgebreide pogingen tot nu toe om een eerlijk én duurzaam alternatief te schetsen. Maar liefst 45 auteurs werkten eraan mee, ondersteund door meer dan 200 onderzoekers wereldwijd.
Hun boodschap: een bewoonbare, rechtvaardige 21e eeuw is materieel gezien haalbaar. Wat ons in de weg staat is geen technische onmogelijkheid, het is politieke keuze.
Het misleidende getal: €5.000 per maand
Het rapport belooft een gemiddeld inkomen van €5.000 per maand voor iedereen ter wereld tegen 2100. Dat klinkt concreet en aantrekkelijk, maar het verdient een eerlijke toelichting.
De onderzoekers drukken alle bedragen uit in 2025 PPP-euro’s, wat staat voor koopkrachtpariteit. Dat betekent dat ze inflatie in hun model hebben uitgeschakeld: de €5.000 in 2100 zou in theorie dezelfde koopkracht moeten vertegenwoordigen als €5.000 nu. Het is een rekeneenheid voor internationale vergelijking, maar die zegt niets over de waarde van geld over 75 jaar.
Als je wél rekening houdt met historische inflatie, gemiddeld zo’n 2% per jaar in de eurozone, dan is het beeld nuchterder. Na 75 jaar zou €5.000 in 2100 in huidige koopkracht neerkomen op ongeveer €1.100 per maand. Bij 3% gemiddelde inflatie zelfs op €380 per maand.
Dat is veel voor de armste helft van de wereldbevolking, die nu gemiddeld veel minder verdient. Maar de suggestie dat iedereen in 2100 leeft zoals een gemiddelde West-Europeaan nu, is te rooskleurig geformuleerd. Het rapport belooft een gelijkgetrokken welvaartsniveau in de toekomst, niet de koopkracht die wij vandaag associëren met €5.000 per maand.
Het draait niet om het inkomen, maar om hoe je het verdient
De werkelijke kern van het rapport zit dan ook niet in dat getal, maar in de vraag: hoe kun je die welvaart bereiken zónder de planeet te verbranden?
Het antwoord van de onderzoekers: rijker worden mag, maar dan moet de manier waarop we rijk worden radicaal anders. Ze noemen dit sufficiency, toereikendheid, en onderscheiden drie concrete pijlers.
Drie pijlers van een duurzame welvaart
1. Veel minder werken
Van gemiddeld 2.100 werkuren per jaar naar 1.000 uur, dat is ruwweg een werkweek van twee en een halve dag. Dat klinkt radicaal, maar in Europa zijn de werkuren sinds de 19e eeuw al gehalveerd, en het rapport projecteert voor deze stap een vergelijkbaar historisch tempo. Minder werken betekent minder energie- en materiaalverbruik, en dus minder uitstoot. Bovendien wordt het mogelijk gemaakt door productiviteitsgroei: als je per uur meer produceert, heb je minder uren nodig om hetzelfde welvaartsniveau te bereiken.
2. De economie “ontmaterialiseren”
Het aandeel van materiaalintensieve sectoren, industrie, bouw, transport, energie, zou moeten dalen van 53% naar 35% van de wereldwijde bestedingen. Tegelijkertijd moeten onderwijs en zorg veel groter worden. Waarom? Immateriële sectoren stoten vrijwel geen directe broeikasgassen uit, en zelfs inclusief hun energie- en materiaalinputs blijft hun uitstootintensiteit drie tot vier keer lager dan die van materiaalintensieve sectoren. Eén extra euro besteed aan onderwijs of zorg is simpelweg veel schoner dan één euro in de maakindustrie.
3. Minder rood vlees en meer bos
Rundveehouderij is verantwoordelijk voor 11% van de wereldwijde uitstoot, veel meer dan plantaardige alternatieven. Bovendien is uitbreiding van weiland de voornaamste drijver van ontbossing, die zelf goed is voor zo’n 6% van de mondiale uitstoot en een van de grootste koolstofputten van de aarde vernietigt. Het rapport combineert een verbod op verdere ontbossing met een grootschalig herbebossingsprogramma, zodat het wereldwijde bosareaal tegen 2100 herstelt naar het niveau van 1900.
En de energietransitie dan?
Sufficiency alleen is niet genoeg. Onder het meest ambitieuze scenario daalt het aandeel van fossiele brandstoffen in de totale energievraag van 69% nu naar minder dan 20% in 2050, en naar nul vóór het einde van de eeuw. Wind, zon, water en kernenergie nemen het volledig over. Dit vereist enorme investeringen die naar schatting 3 tot 4% van het mondiale bbp per jaar gedurende de komende drie decennia moeten worden opgehoest en die in de eerste plaats zouden moeten komen van de wereldwijde rijken, die historisch het meest hebben bijgedragen aan de ophoping van broeikasgassen.
Wat als we niets veranderen?
De cijfers zijn alarmerend. Zonder sufficiency én zonder snelle decarbonisatie lopen de modellen uit op een temperatuurstijging van 4,8°C tot 4,9°C tegen 2100, ongeacht of landen hun inkomens gelijktrekken of niet. Alleen sufficiency zonder energietransitie levert 3,3°C op. Alleen energietransitie zonder sufficiency: 2,6°C. Pas de combinatie van beide brengt de opwarming terug naar 1,8°C.
De conclusie van de onderzoekers is daarmee helder: het gaat niet alleen om hoeveel we verdienen of produceren, maar om hoe we dat doen. Gerichte structuurverandering is effectiever dan brede, uniforme krimp.
Ongelijkheid aanpakken als klimaatbeleid
Naast de structurele transformatie staat ook herverdeling centraal. Het aandeel van het wereldvermogen in handen van de rijkste 0,001%, de miljardairs, zou dalen van 6% naar 0,05%. De armste helft van de wereldbevolking ziet haar aandeel stijgen van 2% naar 30%.
Econoom Thomas Piketty, co-directeur van het WIL, koppelt dit expliciet aan het klimaat. Groen beleid zonder aandacht voor ongelijkheid werkt averechts. Hij wijst op de Gele Hesjes-protesten in Frankrijk als bewijs: een koolstoftaks die harder neerkomt bij gewone mensen dan bij de rijken, creëert verzet in plaats van draagvlak.
Utopisch? Of gewoon noodzakelijk?
Mede-auteur Cornelia Mohren geeft tegen The Guardian toe dat de visie “utopisch” kan klinken, maar benadrukt dat dat juist de bedoeling is: laten zien dat andere wegen wél mogelijk zijn. Landen als Zweden en Noorwegen waren ooit sterk verdeeld, maar maakten in relatief korte tijd enorme stappen in het terugdringen van ongelijkheid, juist dankzij gerichte overheidsinvesteringen in onderwijs en zorg. Dat ook die landen momenteel weer de andere kant op bewegen zegt ze er niet bij.
De keuze is aan ons, zeggen ze…..
Een leefbare, eerlijke wereld is binnen handbereik. Die vraagt om politieke moed, internationale samenwerking, en een bereidheid om de belangen van de rijksten ondergeschikt te maken aan het welzijn van de planeet en haar bewoners. Maar die stelling is niet nieuw. En ze staat in schril contrast met de huidige richting van de wereldpolitiek, die juist verder verhardt, de tegenstellingen vergroot en klimaat en natuur verder vernietigt. De kans op een vrijwillige politieke draai van 180 graden lijkt op dit moment nihil, maar zou wellicht uitgelokt kunnen worden door een mondiale ramp. De echte vraag die dan ontstaat is of we dan nog over de middelen beschikken om die omslag op een menselijke manier te maken.
Wat dit rapport opnieuw duidelijk maakt is dat de huidige politiek een betere wereld in de weg staat. Die politiek wordt vooral gesteund door wie er voordeel bij heeft. En de groep die er voordeel bij heeft, bezit ook de middelen om dat zo te houden. Wie daar een oplossing voor heeft, mag zich melden.
Blijf op de hoogte met de nieuwsbrief. Meld je hier aan.
( Je kunt ons ook steunen door lid te worden of te doneren )
