Volg Duurzaamnieuws op Google News | Discover | of als voorkeursbron op Google

Op 22 december 1938 haalde kapitein Hendrik Goosen bij de Chalumna-rivier een vis boven die al zo'n 66 miljoen jaar verdwenen leek. Conservator Marjorie Courtenay-Latimer zag meteen dat dit geen gewone vangst was.

vissers

Zoetwatervissers in een bootje in Zuid Afrika. Foto: iStock – rraheb

Een vis die in een net belandt, verdwijnt meestal dezelfde dag nog richting markt of pan. Maar een vangst die op 22 december 1938 bij de Chalumna-rivier in Zuid-Afrika aan land kwam, belandde dankzij Marjorie Courtenay-Latimer in het museum en zette de dierenwereld op zijn kop. J.L.B. Smith identificeerde het dier als een coelacant, later officieel Latimeria chalumnae genoemd: een vis uit een groep die we alleen uit fossielen kenden. Die gelobde, vleesachtige vinnen maakten de vondst spectaculair en belangrijk voor hoe we kijken naar de verre evolutionaire verwantschap tussen vissen en landdieren.

Het museum redde een bewijsstuk

Courtenay-Latimer werkte als conservator bij het East London Museum. Zij zorgde ervoor dat het opvallende dier bewaard bleef, terwijl zo’n vangst normaal gesproken snel uit beeld verdwijnt. Dat ene exemplaar werd daarmee het begin van een verhaal dat de zoölogie flink zou opschudden.

De sleepnetvisserij vond plaats bij de monding van de Chalumna-rivier, vlak bij East London. Kapitein Hendrik Goosen leidde de boot die de vis op 22 december 1938 aan boord kreeg. De precieze plek bleek later onderdeel van de wetenschappelijke naam van het dier.

Smith gaf de vondst een plek in de stamboom

Coelacanth onderwater in zijn natuurlijke omgeving.

Een coelacanth (Latimeria chalumnae), een fossiele vis die in 1938 door een visser werd ontdekt. Beeld: Wikimedia Commons.

Courtenay-Latimer schakelde J.L.B. Smith in, ichtyoloog, dus viskundige, aan Rhodes University. Smith koppelde het dier aan een groep die tot dan toe vooral bekend was uit gesteente en fossielen. De naam Latimeria chalumnae verwees vervolgens zowel naar Courtenay-Latimer als naar de Chalumna-rivier.

De ontdekking geldt als een van de belangrijkste zoölogische vondsten van de 20e eeuw. De coelacant kreeg al snel de bijnaam levend fossiel, omdat de visgroep in het fossielenbestand al verdwenen leek.

Vin als een vroege voorloper van een poot

De coelacant heeft gelobde, vleesachtige vinnen. Die steken anders in elkaar dan de platte vinnen die we van de meeste vissen kennen: ze hebben een stevige, vlezige basis. Dat maakt de soort interessant voor onderzoek naar de verre familieband tussen vissen en gewervelde landdieren.

Wetenschappers gebruiken daarbij het woord tetrapoden voor dieren met vier ledematen, waaronder amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren. De vinnen van coelacanten zijn zelf geen poten, maar ze helpen wel om te begrijpen hoe zulke lichaamsdelen in de evolutie vorm kregen. Een fossiel vertelt dus soms meer wanneer er onverwacht een levend familielid opduikt.

Goed om te weten
Coelacanten behoren tot een oude tak van de vissenwereld. Fossielen hadden de indruk gewekt dat die lijn ongeveer 66 miljoen jaar geleden, aan het einde van het Krijt, was verdwenen.

De vis bleek geen eenzame overlever

De verrassing bleef niet beperkt tot de populatie bij de Afrikaanse kust. In 1997 en 1998 werd bij Sulawesi in Indonesië een tweede populatie gevonden. Die dieren bleken genetisch te verschillen van Latimeria chalumnae.

De populatie bij Sulawesi kreeg daarom een eigen soortnaam: Latimeria menadoensis. Coelacanten waren dus geografisch divers gebleven, in plaats van op één plek stand te houden. Dat maakt de vis ook vandaag nog een bijzondere graadmeter voor wat de zee aan oude evolutionaire lijnen kan bewaren.

De oceaan houdt zijn archief grotendeels onder water

Voor Nederland, met de Noordzee als visgebied, transportroute en energiegebied, zit de les vooral in de schaal van wat we nog niet rechtstreeks zien. Een soort die al uitgestorven leek, bleek toch te bestaan. Fossielen zijn waardevolle tijdcapsules, geen complete inventaris van alles wat ooit leefde.

De vondst uit 1938 laat ook zien waarom museumcollecties ertoe doen. Een onverwacht dier dat zorgvuldig wordt bewaard, kan jaren later een veel groter verhaal vertellen dan op het moment van de vangst zichtbaar was. De tweede soort bij Sulawesi werd pas bijna zestig jaar later ontdekt.

Over de studie

Dit verhaal draait om een historische identificatie uit 1938. Marjorie Courtenay-Latimer van het East London Museum herkende de uitzonderlijke vangst en J.L.B. Smith van Rhodes University onderzocht vervolgens om welke vis het ging.

Hun werk verbond een lokaal bewaard exemplaar aan een veel grotere evolutionaire vraag. Het East London Museum bleef daardoor verbonden aan een ontdekking die begon met één vis in een sleepnet bij de Chalumna-rivier.