Volg Duurzaamnieuws op Google News | Discover | of als voorkeursbron op Google

DNA-onderzoek heeft inmiddels zes mannen van de Franklin-expeditie een naam teruggegeven, onder wie Harry Peglar van de HMS Terror. Wat hun resten nog kunnen vertellen over de laatste tocht van de 129 opvarenden, blijft een van de grote Arctische raadsels.

Franklin expeditie

De Terror and Erebus door Hyde, Baldwin, & Gage, een prent uit 1874, via Encyclopedia Britannica

Twee schepen die meer dan anderhalve eeuw onder het ijs en water verdwenen lagen, geven nog altijd stukje bij beetje prijs wat er met hun bemanning gebeurde. Sir John Franklin vertrok in mei 1845 uit Engeland met de HMS Erebus en HMS Terror, op zoek naar de Noordwestelijke Doorvaart, maar geen van de 129 opvarenden keerde terug. De wrakken werden pas in 2014 en 2016 gevonden, dicht bij plekken die in Inuit-overlevering al waren beschreven; het grote raadsel zit nu in de menselijke resten die langs de route van de laatste vlucht werden gevonden. Nadat 105 mannen de vastgevroren schepen in april 1848 achterlieten om zuidwaarts te lopen, begon een tocht waarvan iedere nieuw geïdentificeerde naam het verhaal opnieuw scherper maakt.

De ontsnapping begon met boten op sleeën

Toen de schepen in 1846 vast kwamen te zitten in het pakijs, veranderde de expeditie langzaam in een overlevingstocht. De mannen die in april 1848 nog konden lopen, sleepten boten op sleden langs de westkust van King William Island, in de hoop zuidwaarts te komen.

Die tocht bood geen uitweg. Honger, scheurbuik, kou en langdurige ziekte maakten slachtoffers onder de bemanning; uiteindelijk overleefde niemand de expeditie. De oorzaken van hun dood zijn bekend, maar wie waar stierf en welke route mannen precies aflegden, is nog lang niet voor iedereen beantwoord.

Vier namen uit een anonieme groep

Onderwaterfoto van het wrak van de HMS Erebus.

Een duiker onderzoekt de verroeste metallische structuur van een scheepswrak op de zeebodem. Beeld: Archaeology Magazine.

Op 6 mei 2026 kregen William Orren, David Young en John Bridgens van de HMS Erebus alsnog een identiteit. Hun namen kwamen naast die van Harry Peglar van de HMS Terror te staan, die al eerder werd genoemd. De resten van deze vier mannen vertoonden geen sporen van kannibalisme.

De resten van kapitein James Fitzjames droegen in 2024 wel sporen die op kannibalisme wijzen. Hij was na John Gregory, die in 2021 werd geïdentificeerd, de tweede bemanningsman met een naam. De vier identificaties van 2026 maakten duidelijk dat de laatste maanden van de expeditie niet voor elke groep mannen op dezelfde manier verliepen.

Peglar loste bovendien een oud conflict op. Over één set menselijke resten van King William Island en het nabijgelegen Adelaide-schiereiland werd meer dan een eeuw gediscussieerd, over de vraag of die bij hem hoorde of bij iemand anders van de expeditie.

Duiken tussen de spullen van alledag

Onder water ligt nog een ander deel van het verhaal. Archeologen maakten in 2023 68 duiken bij de twee wrakken, en deden in de periode van 31 augustus tot en met 13 september 2024 nog eens 50 duiken in 13 dagen bij de HMS Erebus.

Daar kwamen geen spectaculaire schatten boven, maar wel voorwerpen die de bemanning dichtbij brengen: een parallel liniaal voor navigatie, een intacte thermometer, een leren boekomslag en een hengel met koperen molen. Die hengel wordt in verband gebracht met tweede luitenant Henry Dundas Le Vesconte. De duiken bij de Erebus laten zien hoe goed delen van het schip onder water bewaard zijn gebleven.

Goed om te weten
De HMS Erebus werd in september 2014 gevonden. Twee jaar later volgde de HMS Terror, waarvan de vondst op 11 september 2016 werd gemeld.

Het ijs bepaalde toen al alles

De Franklin-expeditie laat scherp zien wat ijs met menselijke plannen kan doen. Een route die op kaarten bereikbaar leek, werd door het pakijs een val waar schepen, voorraden en mensen jarenlang niet meer uit konden.

Terwijl het Noordpoolgebied verandert en de aandacht voor zeeroutes en grondstoffen groeit, herinneren de resten op King William Island eraan dat dit gebied nooit zomaar een lege witte vlek op de kaart was.

Over het onderzoek

Antropoloog Douglas Stenton van de University of Waterloo leidde het onderzoek samen met Robert Park van Lakehead University. Zij combineerden DNA-onderzoek met stamboomonderzoek, zodat menselijke resten konden worden vergeleken met levende nazaten.

Stephen Fratpietro van het Paleo-DNA-laboratorium van Lakehead University haalde uit een goed bewaard monster een profiel van het Y-chromosoom, het erfelijke materiaal dat via de vaderlijn wordt doorgegeven.

“We werkten met een monster van goede kwaliteit, waarmee we een Y-chromosoomprofiel konden maken, en we hadden het geluk een overeenkomst te vinden.”
Stephen Fratpietro, Paleo-DNA-laboratorium van Lakehead University

Bij alle vier de identificaties uit 2026 vonden Fratpietro en zijn collega’s een exacte genetische overeenkomst met levende familieleden.