Volg Duurzaamnieuws op Google News | Discover | of als voorkeursbron op Google
Bij Charleroi begon de terril Saint-Charles in 1984 van binnenuit te branden. Rond 2001 werden vanwege instortingsgevaar zo’n tien woningen in de buurt onteigend en gesloopt.
Charleroi met een mijnsteenberg in de achtergrond. Foto: iStock – bbsferrari
Van buiten lijkt een oude mijnsteenberg een gewone heuvel, maar binnenin kan het honderden graden heet worden. Bij zo’n twintig van de ongeveer 360 Waalse terrils is of was sprake van verbranding van binnenuit, onder meer rond Charleroi en Luik. Vooral oude bergen met veel achtergebleven steenkool zijn daar gevoelig voor. Zo’n smeulende brand is iets anders dan een brand aan het oppervlak: hij kan tientallen jaren doorgaan en is vaak nauwelijks te blussen.
Bij Saint-Charles kwam het vuur van buitenaf
Een brand in een houtopslag vlak bij Saint-Charles sloeg over naar de mijnsteenberg. Daarna werd vooral de stabiliteit van de heuvel een zorg. In 1999 moesten bewoners van een deel van de huizen ernaast hun woning verlaten, nadat de civieltechnische dienst van de Universiteit van Luik had vastgesteld dat de berg dreigde te verzakken.
“Lange tijd leefden we in angst voor een ramp.” Lydia, omwonende van Saint-Charles.
Ook later kon de berg aan de buitenkant weer vlam vatten. In augustus 2022 moesten brandweerlieden een politiehelikopter inzetten om water op de top te krijgen: zelf konden ze de heuvel niet beklimmen. Zo’n zichtbare brand aan het oppervlak bewijst op zichzelf niet hoe het er dieper in de berg aan toegaat. Dat onderscheid is belangrijk als je berichten over de brand bij Saint-Charles leest.
Restkool kan de berg zelf opwarmen
In een mijnsteenberg blijven tussen de brokken steen ook steenkool en pyriet achter. Als die stoffen met zuurstof reageren, komt warmte vrij. Die reactie heet oxidatie. In de schalie, het gesteente waaruit zulke bergen bestaan, zit doorgaans 5 tot 15 procent steenkool. Oude terrils kunnen zelfs tot 30 procent restkool bevatten.
De vorm van de berg doet er ook toe. Bij een hoogte van minstens 5 meter en voldoende luchtcirculatie kan de warmte zich zo ophopen dat het materiaal vanzelf gaat branden. Het hart van een brandende terril kan warmer worden dan 400 °C; plaatselijk zijn zelfs pieken van 1.200 °C gemeten. Dat zijn uitersten, geen temperatuur die overal in de berg geldt.
Eenmaal op gang is zo’n brand lastig te stoppen. Het vuur zit diep tussen grote hoeveelheden materiaal, terwijl lucht via openingen naar binnen kan blijven stromen. Onderzoek naar zelfontbranding en instabiele hellingen laat zien dat blussen in de praktijk vaak technisch en financieel niet haalbaar is.
Een erfenis van 200 kilometer
De mijnsteenbergen liggen verspreid over een strook van ongeveer 200 kilometer, van Blegny in het oosten tot Bernissart in het westen. Het zijn resten van de steenkoolwinning, onder meer rond Charleroi, Luik en Bergen. De meeste vormen geen brandgevaar. Vooral de oudere bergen met veel overgebleven steenkool vragen aandacht.
Goed om te weten Een terril hoeft van buiten niet te branden om vanbinnen heet te zijn. Omgekeerd zegt een brand in begroeiing op de heuvel nog niets over een diepere smeulende brand.
Hitte brengt ook nieuwe branden aan het oppervlak
Op 21 juni 2025 brak tijdens een hittegolf brand uit op Saint-Théodore Est, een andere terril in Charleroi. Meer dan een derde van de heuvel brandde af. Twee politiehelikopters hielpen het vuur van bovenaf te blussen. Dat incident laat zien dat ook de buitenkant van een mijnsteenberg kwetsbaar is, zonder dat daarmee een langdurige brand binnenin is aangetoond.
Preventieadviseur Jean-Pol Nelequet verwacht dat terrilbranden door klimaatverandering vaker zullen voorkomen. Voor bewoners rond deze oude mijnterreinen is het verschil tussen een oppervlaktebrand en een brand diep in de berg dan ook praktisch: de risico’s en de mogelijkheden om te blussen zijn anders. De brand bij Saint-Théodore Est werd met helikopters bestreden; diep smeulend materiaal laat zich vaak nauwelijks bereiken.
Over de studie
Onderzoek van de Universiteit van Luik richt zich op de instabiliteit van mijnsteenbergen waarin materiaal vanzelf ontbrandt. Voor Saint-Charles, waar in 1999 verzakkingsgevaar werd vastgesteld, stelden de Universiteit van Luik en de Université catholique de Louvain daarnaast technische rapporten op. Die onderzochten naast de aanwezigheid van vuur het gevaar van verzakking en instorting.
Hoeveel bergen je meetelt, hangt af van de definitie. Het Waals Parlement onderscheidt 542 historische terrils op de mijnas van Dour tot Blegny; daarvan bestaan er volgens die telling nog ongeveer 300.
