
Wat in de jaren dertig, onder Benito Mussolini, begon als een groots staatsproject in de Pre-Alpen, krijgt nu een tweede leven in het wetenschappelijke debat over herbebossing. In het tijdschrift Ecology beschrijven ecoloog Gianalberto Losapio en collega’s hun veldwerk op Monte Bisbino en de Alpe del Vicerè, waar ze in vijf maanden 136 plantensoorten en 201 soorten ongewervelden in kaart brachten. Hun inventarisatie legt bloot hoe ingrepen die ooit als ordelijke, beheerste bosbouw werden verkocht, kunnen doorwerken in licht, bodem en soorten die er onder moeten leven. De uitkomsten raken aan een vraag die ook buiten Italië urgent is: welke keuzes maken we nu, nu herbebossing wereldwijd weer als oplossing wordt omarmd?
Een herbebossing die ook landbouwgrond verving
De herbebossing in de Pre-Alpen was niet alleen een boomplantactie, maar ook een landgebruikswisseling: duizenden hectares alpiene graslanden en inheemse loofbossen maakten plaats voor dichte rijen van 1 soort. De keuze viel op fijnspar (Picea abies), een snelgroeiende naaldboom met rechte stam, aantrekkelijk voor houtproductie. Daarmee werd een landschap dat bestond uit mozaïeken van bos en open vegetatie ingeruild voor aaneengesloten percelen met uniforme structuur.
De onderzoekers vergeleken in hetzelfde gebied 3 habitats die direct naast elkaar liggen: sparrenplantages, inheemse loofbossen en traditionele alpiene graslanden. Juist die buurtschappen maken het effect van beheer zichtbaar: de verschillen die ze meten, hangen minder samen met hoogte of klimaat, en meer met kroonstructuur, strooisel en bodemprocessen. Het experiment is daarmee ook een toets voor een veelgehoorde aanname in beleid: dat “meer bomen” automatisch gelijkstaat aan “meer natuur”.
Monocultuur drukt soortenrijkdom tot 7 soorten per perceel
In de sparrenplantages vonden de onderzoekers gemiddeld 7 plantensoorten per meetperceel. In de inheemse bossen lag dat gemiddelde op 18,5 soorten, en in de graslanden op 37 soorten. Dat verschil is niet marginaal: het komt neer op ruim 50 procent minder plantendiversiteit dan in natuurlijke bossen en bijna 75 procent minder dan in de open alpiene vegetatie.
Een belangrijk mechanisme is de permanente schaduw van een groenblijvende kroonlaag. Waar loofbomen in het voorjaar hun bladerdak nog niet gesloten hebben, blijft onder sparren de lichtinval ook in die periode laag. Dat knijpt precies de ‘voorjaarsvensters’ af waarin veel alpiene soorten moeten groeien en bloeien, waardoor lokale soorten niet geleidelijk wegconcurreren maar simpelweg geen leefruimte meer houden.
Meer koolstof in de bodem, maar minder kringloop
De bodem onder de sparrenplantages bevatte 25 procent meer organische koolstof dan de bodem in de vergeleken habitats. Dat klinkt als winst voor koolstofopslag, maar de studie koppelt het aan langzamere afbraak van organisch materiaal. De ophoping van naalden verzuurt de bodem en remt decompositie, waardoor strooisel zich opstapelt in plaats van terug te keren in een actieve nutriëntenkringloop.
Ook de balans tussen koolstof en stikstof raakte verstoord, een aanwijzing dat de nutriëntenbeschikbaarheid verschuift en de bodem minder efficiënt ‘draait’. Het resultaat is een bos dat aan de oppervlakte intact oogt, maar in de onderlaag functies verliest. De onderzoekers omschrijven dat als een systeem dat wel biomassa verzamelt, maar ecologisch minder goed recyclet.
De ‘rollen’ in het ecosysteem verdwijnen sneller dan de soortenlijst
De studie keek niet alleen naar aantallen soorten, maar ook naar functionele regelmatigheid: hoe gelijkmatig ecologische rollen verdeeld zijn binnen de plantengemeenschap. In de sparrenplantages lag die index 30 procent lager dan in de natuurlijke bossen. Dat wijst op een gemeenschap waarin bepaalde functies oververtegenwoordigd raken en andere verdwijnen, waardoor het systeem kwetsbaarder wordt voor ziekten, plagen en extremen.
Opvallend is dat de sparrenbossen geen nieuwe, ‘bij de spar passende’ gemeenschap hebben opgebouwd. De onderzoekers vonden geen duidelijke instroom van gespecialiseerde boreale soorten die een nieuw evenwicht vormen. Wat resteert is vooral een uitgedunde versie van wat er eerder al groeide: dezelfde herkomst, minder variatie.
Bij de ongewervelden in de bodem is het beeld minder uitgesproken. De diversiteit van bodemarthropoden verschilde nauwelijks tussen sparrenplantages en natuurlijke bossen, wat de onderzoekers verklaren uit hun relatief hoge mobiliteit tussen naast elkaar liggende habitats. Tegelijk waarschuwt de studie dat de bodemchemie wel degelijk op veranderingen in microbieel leven en ondergrondse netwerken wijst, ook al zijn die niet direct gemeten.
Wat deze Alpenles zegt over Europese boomambities
De onderzoekers plaatsen hun bevindingen in een bredere trend: eerdere studies die zij aanhalen schatten dat ongeveer de helft van de wereldwijd toegezegde herstelgebieden uitkomt bij monoculturen met niet-inheemse soorten. Dat risico is relevant voor Europa, waar herbebossing en bosuitbreiding vaak worden meegeteld in klimaat- en natuurpakketten onder de Europese Green Deal, terwijl natuurkwaliteit en koolstofboekhouding niet automatisch dezelfde kant op bewegen. Voor Nederland, waar bosuitbreiding en landschapsherstel eveneens terugkeren in beleid, onderstreept dit het belang van richtlijnen die niet alleen hectares, maar ook menging, herkomst en habitatdiversiteit sturen.
De ecologische waarschuwing is bovendien oud. In 1949 formuleerde de Amerikaanse ecoloog Aldo Leopold het principe dat “Conserver chaque pièce est la première règle de l’intelligence écologique”. De studie uit de Pre-Alpen geeft daar meetbare inhoud aan: je kunt een bos neerzetten dat economisch logisch is, terwijl je tegelijk functies en soorten wegsnijdt die pas na decennia ontbreken.
De praktische vervolgstap ligt voor de hand: herbebossingsprojecten zouden vooraf moeten vastleggen welke biodiversiteitsindicatoren ze monitoren, naast groei en koolstof. Voor de sparrenplantages rond het Comomeer is de vraag nu welke herstelmaatregelen kansrijk zijn, bijvoorbeeld gefaseerde omvorming naar gemengde loofbossen of het terugbrengen van open graslandplekken, en op welke termijn je dan weer richting 18,5 of zelfs 37 plantensoorten per perceel kunt bewegen.
Blijf op de hoogte met de nieuwsbrief. Meld je hier aan.
( Je kunt ons ook steunen door lid te worden of te doneren )
