Volg Duurzaamnieuws op Google News | Discover | of als voorkeursbron op Google

Nieuw nikkelonderzoek naar kleilagen uit de Krijt-Paleogeengrens verfijnt wat al bekend was over de inslag van 66 miljoen jaar geleden. De uitkomst verschuift ook de aandacht naar wat de wereldwijde uitsterving heeft aangejaagd.

skelet van een tyrannosaurus

Een laagje klei, dun genoeg om tussen twee vingers te houden, bewaart het spoor van een van de meest beslissende klappen uit de geschiedenis van het leven. De inslag bij het huidige Mexicaanse Yucatán-schiereiland sloeg 66 miljoen jaar geleden een krater en luidde een massa-uitsterving in waarbij ook de niet-vogeldinosauriërs verdwenen. Nieuw isotopenonderzoek brengt nu scherper in beeld welk uitzonderlijk ruimtegesteente daarvoor verantwoordelijk was: een zeldzame CO-chondriet, een type dat maar een klein deel vormt van de al schaarse koolstofrijke meteorieten. Dat verfijnt een eerdere aanwijzing voor een verre oorsprong buiten de baan van Jupiter, en brengt opnieuw de vraag naar voren wat de inslag zo dodelijk maakte.

Een museumstuk, maar dan uit de ruimte

De Ornans-klasse, waar deze steen toe behoort, is een groep koolstofrijke meteorieten met kleine, ronde korrels die ooit in de jonge ruimte rond de zon ontstonden. Koolstofrijke meteorieten vormen ongeveer 5 procent van alle gevonden meteorieten op aarde, en de CO-variant is daar weer slechts een klein deel van.

Dat maakt de vondst behoorlijk uitzonderlijk. Ornans-klasse klinkt misschien als een detail voor verzamelaars, maar die precieze indeling helpt te begrijpen welke stoffen na de inslag in de lucht terechtkwamen.

“Koolstofrijke chondrieten van de Ornans-klasse lijken niet op de gebruikelijke meteorieten die je in museumcollecties aantreft.”

Philippe Claeys, hoogleraar aan de Vrije Universiteit Brussel en gasthoogleraar aan de University of British Columbia

De dodelijke wolk was misschien belangrijker dan zwavel

Close-up van een Ornans-klasse meteoriet.

Een meteorietenmonster onder museumverlichting, mogelijk een chondriet, met zichtbare textuur en breukvlakken op een displayplaat. Beeld: Wikipedia.

Eerdere verklaringen legden veel gewicht bij zwavel uit het ruimtegesteente zelf. CO-chondrieten bevatten, vergeleken met de eerder genoemde CM- en CR-varianten, ongeveer half zoveel zwavel. Ook koolstof, zink en water komen er veel minder in voor.

Daardoor schuift de aandacht naar fijn silicaatstof, piepkleine mineraaldeeltjes die bij de inslag vrijkwamen. Dat stof kan een grotere rol hebben gespeeld bij de massa-uitsterving dan zwavel uit de meteoriet.

Wie wil snappen waarom zoveel leven verdween, moet dus ook kijken naar wat er precies door de atmosfeer werd gejaagd.

De klap in cijfers

De inslaande steen had naar schatting een doorsnee van 10 tot 15 km en raakte de aarde met ongeveer 64.000 km/u. Zo’n snelheid is ruim 50 keer de kruissnelheid van een passagiersvliegtuig.

De gevolgen beperkten zich niet tot het gebied rond de inslagplek. Ongeveer 75 procent van alle soorten op aarde verdween in de daaropvolgende massa-uitsterving, waaronder de dinosauriërs die geen vogels waren.

Zeldzaam toeval maakte de kans op herhaling klein

Dat juist dit type steen de aarde trof, maakt de gebeurtenis nog uitzonderlijker. Philippe Claeys wijst erop dat een inslag door zo’n zeldzaam object uit een ver deel van het zonnestelsel laat zien hoeveel pech de dinosauriërs hadden.

De kans dat precies deze klasse opnieuw inslaat, is klein. Chicxulub laat zien dat de samenstelling van een inslaand object flink kan bepalen welke kettingreactie er op aarde volgt.

Sporen in gesteente kunnen aanwijzen welk materiaal de grootste schade aanrichtte, niet alleen dát er ooit iets uit de ruimte kwam.

Over de studie

Hoofdauteur Georgy Makhatadze leidde een internationaal team van de University of British Columbia, met onderzoekers uit Parijs, Brussel en Wenen. Zij onderzochten kleilagen van de K-Pg-grens, de grens in aardlagen tussen het Krijt en het Paleogeen, uit locaties over de hele wereld.

De meteoriet zelf verdampte bij de inslag, dus het team zocht naar nikkel-isotopen, verschillende vormen van hetzelfde element die als chemische vingerafdruk werken. De aanpak bouwt voort op een rutheniumstudie uit 2024, die de herkomst al buiten de baan van Jupiter plaatste; de nieuwe studie verscheen op 17 juli 2026 in Science Advances.