Volg Duurzaamnieuws op Google News | Discover | of als voorkeursbron op Google
Onder de Noordoostpolder zijn aanwijzingen gevonden voor vier middeleeuwse dorpen, waaronder Marcnesse en Nagele. Archeoloog Yftinus van Popta reconstrueerde hoe bewoners tussen circa 1100 en 1400 terrein verloren aan de groeiende Zuiderzee.
Ook op Marken tref je nog de sfeer van middeleeuwse dorpen rond de Zuiderzee. Foto: iStock – banvega
Wie vandaag door de Noordoostpolder rijdt, ziet rechte akkers en jonge dorpen. Onder die kleibodem liggen de sporen van Marcnesse, Nagele en twee nederzettingen die Fenehuysen heetten, verdwenen toen het middeleeuwse Almaere uitgroeide tot de Zuiderzee. De stormvloed van 1287 maakte de macht van het water zichtbaar, maar voor deze dorpen was er geen ene noodlottige nacht: bodemdaling, veenafgraving en terugkerende overstromingen maakten wonen er tussen circa 1100 en 1400 steeds moeilijker. Dit gebied werd pas in 1942 drooggelegd.
Onder de klei ligt een oude kaart
De rechte kavels van de Noordoostpolder liggen precies op een plek waar vroeger water, veen en bewoning voortdurend om ruimte streden. De sporen die daar nu zijn gevonden, maken duidelijk dat Marcnesse, Nagele, Fenehuysen I en Fenehuysen II deel waren van een veel drukker bewoond gebied dan je vanaf de dijk zou vermoeden.
Ook Ruthne, Emelwerth en Bidningahem verdwenen met het oprukkende water, terwijl hun namen later terugkeerden in Flevolandse plaatsnamen.
- Marcnesse leeft voort in de naam Marknesse.
- Nagele kreeg opnieuw een plek in de Noordoostpolder.
- Emelwerth klinkt door in Emmeloord.
De zee kreeg steeds meer ruimte
Het water begon zijn greep op het gebied al in de twaalfde eeuw te verstevigen. Boeren maakten het noordelijke veengebied geschikt voor landbouw, maar daardoor klonk de bodem in: het veen zakte langzaam in en kwam lager te liggen.
Stormvloeden kregen zo steeds makkelijker vat op het land. Het meer Almaere, ook Aelmere genoemd, groeide in de twaalfde en dertiende eeuw uit tot de veel grotere Zuiderzee door overstromingen en veenafgraving. Inklinkend veen was daarbij een stille maar beslissende kracht.
De Sint-Luciavloed van 1287 liet zien hoe groot de gevolgen konden zijn. Bij die stormvloed brak de verbinding tussen Texel en het vasteland door en kwamen tienduizenden mensen om; daarna raakte de naam Zuiderzee algemeen ingeburgerd. De ramp verklaart niet in zijn eentje het verdwijnen van de dorpen in de latere Noordoostpolder.
Nagele blijft een raadsel
Het huidige Nagele is een bewust ontworpen polderdorp, maar over zijn middeleeuwse naamgenoot blijft twijfel bestaan. Het is historisch goed denkbaar dat een nederzetting met die naam rond 1300 verdween, alleen staat niet vast dat het toen ook echt een zelfstandig dorp was.
Goed om te weten
De Sint-Elisabethsvloed van 18 op 19 november 1421 hoort bij een ander waterverhaal. Die ramp trof vooral de Grote Waard in Zuid-Holland en droeg bij aan het ontstaan van de Biesbosch.
Urk en Schokland wisten zich in de periode tussen 1100 en 1400 wel staande te houden, al kostte dat grote moeite. Hun ligging bood net genoeg houvast om bewoning mogelijk te houden, terwijl andere plekken voorgoed onder water verdwenen.
Een oud verhaal met een moderne schaduw
De verdronken dorpen laten zien hoe menselijke ingrepen en water elkaar kunnen versterken. Landbouw op veen leverde bewoners grond op, maar maakte diezelfde grond op termijn lager en kwetsbaarder voor overstromingen.
Nederland woont en werkt nog altijd in gebieden die door dijken, gemalen en ruimtelijke keuzes bewoonbaar blijven. De moderne stad Almere ligt bijvoorbeeld op voormalige bodem van de Zuiderzee en het IJsselmeer, die eeuwenlang onder water stond voordat het gebied in de twintigste eeuw werd ingepolderd.
De Noordoostpolder viel in 1942 droog. Daarmee kwam een landschap terug boven water dat eeuwen eerder stap voor stap was prijsgegeven aan de zee.
Over het onderzoek
Maritiem archeoloog Yftinus van Popta van de Rijksuniversiteit Groningen bracht de bewoningsgeschiedenis van dit deel van de Zuiderzee in kaart met historische bronnen, bodemonderzoek en archeologische vondsten. Na vijf jaar onderzoek vond hij bewijs voor de vier verdwenen nederzettingen.
Van Popta promoveerde op 29 oktober 2020 aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zijn reconstructie bestrijkt circa 1100 tot 1400, de eeuwen waarin het landschap rond de latere Noordoostpolder ingrijpend veranderde.
