Hittegolven zijn niet langer alleen een ongemak van de zomer of een aanslag op de gezondheid van zwakkeren, ze worden ook een serieus risico voor de economie. Onderzoek van verzekeraar Allianz laat zien dat het aantal hittestress-gebeurtenissen sinds de jaren 80 verzevenvoudigd is, terwijl het gemiddelde dodental per gebeurtenis met een factor vijf is gestegen. Een deel daarvan komt doordat Europa simpelweg beter meet dan bijvoorbeeld Afrika of Zuid-Azië, waar hittedoden vaak niet eens geregistreerd worden. Maar er is ook een reëel probleem: een vergrijzende bevolking, dichte steden met gebouwen die warmte vasthouden, en nauwelijks airconditioning. Gemiddeld heeft in Europa maar 19% van de huishoudens airco, tegenover zo’n 90% in de Verenigde Staten.
Het omslagpunt: 30 graden
Economisch gezien gebeurt er iets opvallends rond de 30 graden. Onder die grens is opwarming eigenlijk best gunstig: lagere verwarmingskosten, een klein productiviteitsvoordeeltje. Maar boven de 30 graden slaat dat om, en hoe hoger de temperatuur, hoe harder het omslaat. Het grootste effect zit in arbeid: voor elke graad extra tussen de 30 en 35 graden daalt de productie per gewerkt uur met ongeveer 1,3 dollar. Omdat lonen vertraagd reageren op productiviteit, komt de eerste klap vooral bij bedrijfswinsten terecht, voordat het via lonen doorsijpelt naar huishoudens. Daarnaast stijgt het energieverbruik met ongeveer 1,2% per graad, extra kosten voor bedrijven, juist op het moment dat hun arbeidsproductiviteit al daalt.
Wat kost dit Europa?
Om de schaal te illustreren is een stressscenario doorgerekend: de vijf heetste jaren die een land tussen 2014 en 2024 meemaakte, worden in oplopende volgorde herhaald tussen 2026 en 2030, eindigend in 2030 met het heetste jaar ooit gemeten. In zo’n scenario kunnen de cumulatieve verliezen aan bruto binnenlands product oplopen tot 5 à 7% voor de zwaarst getroffen economieën: 240 miljard dollar voor Frankrijk, 354 miljard voor Japan, 147 miljard voor Italië, 131 miljard voor Duitsland en 120 miljard voor Spanje.
Nog zorgwekkender op de lange termijn: investeringen dalen harder dan consumptie, met gemiddeld 8% in getroffen landen. Hitte drukt het verwachte rendement op kapitaal, waardoor bedrijven minder investeren. Dat beperkt weer de toekomstige productiecapaciteit, een vicieuze cirkel. Bovendien dreigt een combinatie van stijgende prijzen én stijgende werkloosheid. Dat is een lastig dilemma voor centrale banken, vooral in de eurozone, waar één rentebeleid moet gelden voor landen met heel verschillende hitterisico’s.
De rekening komt bij de zwaksten terecht
De begrotingsgevolgen treffen juist de landen die het minst ruimte hebben. Door lagere economische output dalen belastinginkomsten: naar schatting 1,8% per jaar in Frankrijk, 1,3% in Italië en Spanje, 0,7% in Duitsland, waar progressieve belastingstelsels ervoor zorgen dat inkomsten harder dalen dan de output zelf. Tegelijkertijd stijgen de uitgaven, door geïndexeerde uitkeringen, zorgkosten en noodreparaties aan infrastructuur. Begrotingstekorten lopen gemiddeld met 0,5% van het bbp per jaar verder op. Italië en Spanje dreigen daardoor opnieuw door het Maastricht-tekortplafond te breken. Frankrijk, dat al een verwacht tekort van 4,9% van het bbp heeft, krijgt er door hitte naar schatting nog eens 2,2 procentpunt bovenop.
Verzekeringen schieten tekort
Verzekerde schade vormt maar een klein deel van de totale economische schade door hitte. In 2022 bedroeg de totale klimaatschade in Europa 46 miljard euro, terwijl het verzekerde aandeel daarvan nauwelijks toenam. De meeste hitteschade zit namelijk in zaken die traditionele verzekeringen niet goed kunnen dekken: extra sterfte, verloren arbeidsuren, druk op de zorg, slijtage aan infrastructuur. Deze schade is breed verspreid en vaak indirect, waardoor die moeilijk te meten en te beprijzen is. Er wordt al gewerkt aan nieuwe oplossingen: parametrische verzekeringen die automatisch uitkeren bij een bepaalde temperatuur of hitteduur, publiek-private samenwerkingen voor systeemrisico’s, en overheidsvangnetten waar de markt het simpelweg niet aankan.
Wat moet er gebeuren?
Het Europese hittebeleid is vooral gericht op het compenseren van schade achteraf, niet op het voorkomen ervan. Om dat om te draaien is actie nodig op vier fronten.
Op de werkvloer is een serieus hitteprotocol nodig: harde temperatuurgrenzen, automatische werkonderbrekingen wanneer die overschreden worden, doorbetaling bij uitval, en dekking voor iedereen, ook voor tijdelijke krachten, seizoenarbeiders en platformwerkers. Geen enkele grote Europese economie heeft dit compleet geregeld, en juist de meest kwetsbare werkenden vallen vaak buiten de bestaande regelingen.
Bij gebouwen zijn vier zaken nodig: oververhittingsnormen voor nieuwbouw, verplichte passieve koeling bij renovatie, toegang tot koeling als sociaal recht voor kwetsbare huishoudens, en een elektriciteitsnet dat berekend is op piekvraag door airco’s tijdens hittegolven. De herziene Europese richtlijn voor energieprestaties van gebouwen regelt alleen het eerste punt. De rest ontbreekt nog grotendeels.
Op begrotingsgebied heeft bijna elk Europees land wel een aanpassingsstrategie op papier, maar zelden een meerjarig budget daarvoor. Het gevolg: telkens noodpakketten achteraf, die de begrotingsruimte opslokken die eigenlijk voor preventie bedoeld was.
Tot slot: huishoudens. Europese huishoudens hebben samen bijna 40 biljoen euro aan financiële bezittingen, vaak gewoon op spaarrekeningen, terwijl veel woningen slecht bestand zijn tegen hitte. Een deel van dat vermogen mobiliseren via subsidies voor renovatie, passieve koeling of betaalbare verzekeringen, kan helpen. Maar dit is geen oplossing die de markt alleen kan trekken: juist de meest kwetsbare huishoudens hebben vaak het minste spaargeld. Zonder overheidsgaranties en gerichte ondersteuning dreigt vermogen alleen ongelijkheid te vergroten, in plaats van weerbaarheid op te bouwen.
Blijf op de hoogte met de nieuwsbrief. Meld je hier aan.
( Je kunt ons ook steunen door lid te worden of te doneren )
