In de eerste twee maanden van 2026 werden wereldwijd al 33.000 symptomatische chikungunyagevallen geteld. Het ECDC ziet ook in Europa een reëel risico op verdere verspreiding, waardoor wetenschappers aandringen op monitoring en gezondheidsmaatregelen die uiterlijk in 2040 klaarstaan.
De Aziatische tijgermug (Aedes albopictus) rukt door de opwarming op richting Noord- en West-Europa, en daarmee schuift ook het chikungunyavirus mee naar gebieden waar het lang vooral een tropische ziekte was. Eind mei vorig jaar werden in Europa al acht chikungunyagevallen gemeld in Frankrijk. Onderzoekers als dr. Ye Xu en dr. Yang Wu, verbonden aan het Guangzhou Customs Technology Center (China), leggen in recente publicaties uit hoe veranderende temperaturen en neerslagpatronen de leefgebieden van dit soort vectoren uitbreiden, met mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid. Het onderzoek werd geleid vanuit de afdeling Epidemiology and Global Health van Umeå University (Zweden). Overheden staan voor de vraag hoe vroeg en hoe stevig ze ingrijpen met surveillance en preventie, voordat introducties zich herhalen en lokale transmissie op gang komt.
De tijgermug is niet de enige speler
Chikungunya wordt vooral gekoppeld aan Aedes albopictus. Het virus kan echter ook worden overgedragen door Aedes aegypti. Dat tweede type mug is minder goed bestand tegen lagere temperaturen dan de tijgermug, wat in modellen meehelpt verklaren waarom juist Aedes albopictus in gematigde zones zo’n grote rol kan spelen.
Het ECDC wijst er bovendien op dat het virus op dit moment niet endemisch is in Europa en Noord-Amerika. Het merendeel van de vastgestelde infecties hangt daar samen met reizigers die terugkeren uit tropische of subtropische gebieden, wat de kans op import telkens opnieuw op de agenda zet.
Goed om te weten
Chikungunya kan gepaard gaan met hevige gewrichtspijn, koorts, hoofdpijn, spierpijn en huiduitslag. Dezelfde twee muggen die chikungunya kunnen overdragen, spelen ook een rol bij dengue, Zika en gele koorts.
Waar het risico al op de kaart staat
Close-up van een mug met donkere kleur, lange poten en duidelijke streeppatronen op lichaam en poten. Beeld: Wikimedia Commons – Wikimedia.org.
In een studie in Frontiers in Cellular and Infection Microbiology beschrijven Ye Xu (onderzoeker, Zhejiang University) en collega’s hoe groot het potentiële risicogebied inmiddels is: 139 landen of regio’s gelden als risicogebied voor chikungunya, samen goed voor 21,3 procent van het landoppervlak.
Dezelfde studie noemt drie gebieden die in de modellen als risicogebied terugkomen: Centraal- en Noord-Europa, het noordoosten van Noord-Amerika en Oost-Azië. Hoe ver het virus zich precies kan vestigen, verschilt per klimaatscenario, maar de richting is volgens de auteurs consistent: opschuiving naar noordelijker, gematigde breedtes.
Het model achter de waarschuwing
De onderzoekers baseerden hun analyse op tientallen duizenden geolokaliseerde waarnemingen van zowel het chikungunyavirus als de twee belangrijkste vectoren. Vervolgens projecteerden ze de mogelijke verspreiding tot 2100 met 16 klimaatscenario’s die zijn afgeleid van IPCC-trajecten, gekoppeld aan vijf sociaaleconomische ontwikkelpaden.
In de modellen gingen meerdere omgevingsvariabelen mee, waaronder windsnelheid, hoogte, neerslag en minimum- en maximumtemperaturen. Die bepalen waar muggen kunnen overleven en hoe lang virussen zich in een mug kunnen ontwikkelen, wat de kans op lokale transmissie beïnvloedt.
- Temperatuur: minimum- en maximumwaarden als begrenzing voor overleving en activiteit.
- Neerslag: indirecte invloed via broedplaatsen en waterbeschikbaarheid.
- Hoogte: samenhang met kou en seizoenslengte.
- Windsnelheid: effect op verspreiding en vliegactiviteit van muggen.
“Meer dan 70 procent” hangt samen met Aedes albopictus
De studie wijst Aedes albopictus aan als doorslaggevend voor de verwachte verspreiding in gematigde zones, door de betere tolerantie voor lagere temperaturen. Yang Wu, mede-auteur van het onderzoek, vat de uitkomst zo samen: “In onze studie bleek de Aziatische tijgermug bijzonder belangrijk, en verklaarde die meer dan 70 procent van de voorspelde verspreiding van het virus.”
Het percentage verschuift de aandacht naar detectie en bestrijding van één dominante vector. Europese inzet op het verminderen van broedplaatsen en gerichte surveillance kan een groot deel van het risico afvangen, ook als niet elke introductie via reizen te voorkomen is.
Voorbereiden is vooral: sneller herkennen en sneller handelen
De studie stelt dat surveillance van Aedes-muggen en passende volksgezondheidsmaatregelen uiterlijk in 2040 operationeel moeten zijn om toekomstige uitbraken beter te kunnen dempen. Het gaat om uitvoerbare stappen die in bestaande Europese infectieziekteketens passen, van lokale meldingen tot grensoverschrijdende coördinatie.
“Er is geen reden tot paniek, maar zorgstelsels moeten zich zo vroeg mogelijk voorbereiden.”
Ye Xu, onderzoeker bij Zhejiang University
Xu noemt daarbij concrete ingrepen om zorgstelsels op tijd klaar te stomen: Aedes-populaties volgen, artsen trainen om chikungunya snel te herkennen, antivectorbeleid versterken en snelle interventieplannen klaarzetten voordat er een epidemie ontstaat. Vroeg signaleren verkleint de kans dat losse introducties overslaan in lokale transmissie, juist in regio’s waar chikungunya geen terugkerend volksgezondheidsprobleem was.
Wie de Europese stand van zaken wil blijven volgen, kan terecht bij de maandelijkse monitoring van het ECDC via chikungunya-monthly, waarin meldingen en trends doorlopend worden bijgewerkt.
Blijf op de hoogte met de nieuwsbrief. Meld je hier aan.
( Je kunt ons ook steunen door lid te worden of te doneren )
