Volg Duurzaamnieuws op Google News | Discover | of als voorkeursbron op Google
De Komsomolets zonk in 1989 naar 1.680 meter diepte in de Noorse Zee. Watermonsters uit 2019 laten zien dat radioactieve stoffen nog steeds uit het wrak ontsnappen.
Een vergelijkbare Russische onderzeeër als de gezonken kernonderzeeër. Foto: iStock – jgroup
Op bijna twee kilometer diepte, ver buiten het zicht van vissers en scheepvaart, staat een Sovjet-onderzeeër al ruim drie decennia op de zeebodem. De Komsomolets K-278 zonk op 7 april 1989 na een brand aan boord, waarbij 42 bemanningsleden omkwamen. Rond het wrak, met een kernreactor en twee plutoniumhoudende torpedo’s, volgt Noorwegen de radioactiviteit al sinds 1990. Een studie uit 2026 bouwt voort op metingen uit 2019 en laat zien dat de reactorbrandstof nog altijd corrodeert.
De romp staat rechtop, met een zware lading aan boord
In de stalen romp zit een kernreactor van 190 megawatt. De onderzeeër had ook twee torpedo’s bij zich, elk met ongeveer 3 kg plutonium in de kernkop.
“Hij staat gewoon rechtop op de zeebodem.”
Justin Gwynn, wetenschappelijk leider bij DSA, de stralingsautoriteit
Vooral rond de reactor en het beschadigde torpedocompartiment kon zeewater bij radioactief materiaal komen.
Wat de monsters precies lieten zien
Een watermonster uit een open ventilatieopening bevatte ongeveer 800 becquerel per liter cesium-137. Een becquerel is de maat voor radioactieve activiteit: hoeveel atoomkernen er per seconde uiteenvallen. Die waarde kwam uit water dat direct uit het wrak stroomde, niet uit de omringende zee.
Bij het metalen rooster van die opening vonden de onderzoekers 66 keer hogere plutoniumwaarden dan de gemiddelde achtergrondwaarde. De verhouding tussen verschillende plutonium- en uraniumatomen wees bovendien dezelfde kant op: de brandstof in de reactor blijft corroderen door contact met zeewater.
Voor vis blijft de schade zeer beperkt
De radioactieve stoffen verdunnen op deze diepte snel in een enorm volume zeewater. Hilde Elise Heldal, expeditieleider bij het Institute of Marine Research in Bergen, vatte het zo samen: “Wat we hebben gemeten, heeft heel weinig invloed op vis en zeevruchten uit de Noorse visserij.”
De metingen laten zien dat een lokale lekkage niet automatisch betekent dat radioactiviteit zich ophoopt in vis die verderop wordt gevangen.
Bergen blijft riskant
Een Russisch team verzegelde in 1994 delen van het wrak, waaronder zes torpedobuizen. Zo moest er minder zeewater door het beschadigde torpedocompartiment stromen. Die afdichting was bij de inspectie nog steeds intact.
Volledig bergen zou volgens de eerdere beoordeling juist nieuwe problemen kunnen veroorzaken. Het verplaatsen van de romp kan radioactief materiaal losmaken in het water en mogelijk ook in de lucht. Een tijdlijn voor een nieuwe bergingspoging is niet bekendgemaakt.
Over de studie
De expeditie werkte vanaf onderzoeksschip RV G.O. Sars met de op afstand bestuurde duikrobot AEgir 6000. Die robot kon water ophalen bij de ventilatiepijp zonder dat mensen naar de zeebodem hoefden. De tocht viel onder een internationale expertgroep die radioactieve besmetting in noordelijke zeegebieden onderzoekt.
Justin P. Gwynn leidde het wetenschappelijke werk samen met collega’s van DSA en het mariene onderzoeksinstituut in Bergen. De resultaten verschenen in Proceedings of the National Academy of Sciences, PNAS.
