In de jaren 1930 liet Benito Mussolini in de Italiaanse Alpen miljoenen sparren aanplanten om erosie te remmen en een houtreserve op te bouwen. Nu laat onderzoek onder leiding van ecoloog Gianalberto Losapio, verbonden aan de Universiteit van Bern, zien welke ecologische rekening die keuze decennia later presenteert.
In de jaren 1930 werd in de Alpen op grote schaal de spar (Picea abies) aangeplant, een ingreep die het landschap decennialang tekende en nu opnieuw onder de loep ligt. Een studie onder leiding van ecoloog Gianalberto Losapio, verbonden aan de Universiteit van Bern en gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Ecosystems, vergeleek sparrenplantages met inheemse loofbossen en alpenweiden en legde de verschillen in soortenrijkdom vast. In de plantages werden gemiddeld 7 plantensoorten per perceel geteld, tegenover 18,5 in natuurlijke bossen en 37 in alpenweiden. De uitkomst speelt mee in het Europese debat over herbebossing en natuurherstel, waar de keuze tussen snelle aanplant en ecologische kwaliteit steeds vaker op scherp komt te staan.
Massale aanplant van sparren: een historische blik
De keuze voor spar (Picea abies) was in de jaren 1930 ook technisch gemotiveerd, want het is een snelgroeiende naaldboom met een rechte stam en een hoge houtopbrengst. Voor de aanleg werden duizenden hectares alpenweide en bestaande bosvegetatie gekapt en vervangen door dichte rijen van één soort. Bosbeheer werd zo in feite een vorm van landschapsengineering, met stabiliteit en productie voorop.
Van buiten oogden de plantages decennialang als geslaagd bos, groen, uniform en gesloten. Het nieuwe onderzoek laat zien dat die visuele indruk weinig zegt over wat er op de bosbodem gebeurt, waar soortenrijke bergflora juist afhankelijk is van licht, bodemchemie en microhabitats.
Een bos dat het licht uitdoet
Dicht sparrenbos in een bergachtig landschap met minimale ondergroei en biodiversiteit, gezien vanaf een verhoogde positie. Beeld: Lago di Como.
De spar houdt zijn naalden het hele jaar vast en vormt daardoor een permanent gesloten kroonlaag. In loofbossen valt in het vroege voorjaar juist extra zonlicht op de bodem, omdat bomen dan nog geen blad hebben. Die lichtpiek is cruciaal voor veel alpiene planten die vroeg bloeien en daarna weer terugvallen.
Onder een sparrenplantage verdwijnt dat venster bijna volledig. De studie beschrijft dit als een fysieke uitsluiting, waarbij soorten geen kans krijgen om te kiemen of te groeien doordat het bos structureel te donker blijft, vooral in de lente. De ondergroei verschraalt en daarmee verdwijnt ook de basis voor veel andere organismen.
“Elk onderdeel bewaren is de eerste regel van ecologische intelligentie.” Aldo Leopold, ecoloog (1949)
De bodem betaalt mee: koolstof stapelt zich op, het systeem vertraagt
Losapio en collega’s vonden in de sparrenplantages 25 procent meer organische koolstof in de bodem dan in de natuurlijke loofbossen. De onderzoekers koppelen dat aan trager afbreken van organisch materiaal. Naalden hopen zich op, verzuren de bodem en remmen de kringloop van voedingsstoffen.
Ook de verhouding tussen koolstof en stikstof verschoof in de plantages, een signaal dat de nutriëntenkringloop minder efficiënt draait. Strooisel blijft liggen, mineralisatie gaat langzamer en planten die gevoelig zijn voor zuurdere omstandigheden verdwijnen. Dat is een vorm van degradatie die je niet ziet aan de boomkruinen.
De onderzoekers maten bovendien de functionele regelmaat van plantengemeenschappen, oftewel hoe gelijkmatig ecologische rollen over soorten zijn verdeeld. In sparrenplantages lag die indicator 30 procent lager dan in inheemse loofbossen. Het gaat om het wegvallen van functies in het ecosysteem, niet alleen om aantallen soorten.
Goed om te weten
Functionele diversiteit kijkt naar wat soorten doen in een ecosysteem, bijvoorbeeld schaduw verdragen, stikstof vastleggen of bestuivers aantrekken. Het gaat dus om de rol van soorten in het geheel, en niet zozeer om het aantal soorten op zich.
De meetlat: vijf maanden veldwerk bij Monte Bisbino en Alpe del Vicerè
Het team rond Losapio baseerde zich op vergelijkend veldwerk in twee gebieden in de Prealpen bij het Comomeer: Monte Bisbino en Alpe del Vicerè. Over 5 maanden inventariseerden de onderzoekers in drie naast elkaar liggende habitats zowel flora als ongewervelden. In totaal identificeerden ze 136 plantensoorten en 201 soorten geleedpotigen.
De diversiteit van bodembewonende geleedpotigen verschilde slechts beperkt tussen sparrenplantages en natuurlijke bossen. De onderzoekers verklaren dat met hun mobiliteit, want ze kunnen relatief makkelijk tussen aangrenzende habitats bewegen. Het team wijst er wel op dat de bodemchemie op verstoring wijst, terwijl microbieel leven in dit onderzoek niet direct is gemeten.
De plantages vormden geen nieuw, stabiel ecosysteem dat bij sparren hoort. Er ontstond geen gespecialiseerde gemeenschap die de oorspronkelijke soorten verving; de onderzoekers beschrijven eerder een uitgeklede versie van de oude vegetatie. De bomen blijven staan, maar de gemeenschap eronder herstelt niet vanzelf.
Herbebossing als klimaatbeleid: Europese lessen, Nederlandse praktijk
De studie past in een bredere discussie over herbebossing als klimaatmaatregel en als natuurherstel. De auteurs verwijzen naar eerder onderzoek waaruit blijkt dat 50 procent van de wereldwijd toegezegde herstelgebieden uitkomt op monoculturen van niet-inheemse soorten. Dat is aantrekkelijk voor snelle aanplant en boekhoudbare CO2, maar vergroot de kans op ecologische schulden die pas na decennia zichtbaar worden.
Voor Nederland en Europa is die spanning herkenbaar in discussies over compensatiebossen, productiebos en herstel van biodiversiteit op dezelfde hectare. De data uit deze Alpenplantages laten zien dat meer bomen als categorie te grof is, aangezien soortkeuze en structuur bepalen of een bos ook een leefgebied wordt. Eén boomsoort kan hout leveren, maar laat ecologische functies verdwijnen.
Beheerders kunnen de omvorming van dichte sparrenvakken naar gemengde, inheemse bosstructuren nu toetsen op meetbare indicatoren zoals functionele regelmaat en bodemchemie. De volledige methode en resultaten van Losapio en collega’s zijn toegankelijk via de studie in Ecosystems.
Blijf op de hoogte met de nieuwsbrief. Meld je hier aan.
( Je kunt ons ook steunen door lid te worden of te doneren )
