
Je hebt je eigen leven lief. Je doet je best om je dagelijksheid zo normaal mogelijk door te laten gaan. Een dak boven je hoofd, brood in de trommel, schone kleren. Een zekere omgang met je huisgenoten. Wat huisdieren waar je om geeft, een beste moestuin verderop langs het spoor. De woning openstellen voor verjaardagsvisite’s, zelf present zijn. Meehelpen in het clubgebouw, een praatje met deze en gene. En voor alles je kinderen zo begeleiden dat het goede mensen worden. Jezelf steeds voorhouden dat zij niet zwak zijn met hun gescrol en hun eeuwige oortjes, maar dat ze tot slaaf worden gemaakt. Dat zeg je ze dan ook elke dag.
Ja, een woning met een voordeur om de wereld van buiten buiten te houden, dat is wat waard. Die grote wereld die niet helemaal de jouwe is, maar waarin je je toch moet begeven. De verraderlijke geldwereld met haar vreemde hectiek, haar anonimiteit. Je collega’s ken je natuurlijk wel een beetje, maar je hebt altijd het gevoel dat het er hogerop niets toe doet wie het werk levert. Dat je je afvraagt waarom doe je het eigenlijk.
Nergens word je nog gezien, in de bus niet, bij een aankoop niet, bij een probleem niet. Elkaar zien is al lang kapot. Er is geen tijd voor. Tijd is geld. Soms kom je trillend thuis om nergens te zijn gezien. Je hebt familie in de grote stad, met wie je wel eens huizen ruilt. Zij willen af en toe wat zij de rust noemen van het dorp. Die rust valt wel tegen, die is ook hier aangetast, maar de mate verschilt nog wel. Wat een ontspoorde wereld is het. Als een oude film die te snel draait. Iedereen schiet langs je heen, buren geen tijd voor meer dan de standaard groet.
Naadloos gaat het van de wereld van kinderen naar die van het werk, naar een dringende klus, naar het eten, zonder omschakelruimte. Laat jij niet zeggen dat zij het fout doen. Wij zijn niet gek, we worden gek gemaakt. Omschakelruimte rendeert niet. Ja, we weten dat we overspannen zijn, buitenshuis manisch en thuis depressief. We zijn niet blind. Maar hoe kapot zijn we? En dit is niet: hoe kapot maken wij onszelf, maar hoe verstoort de geldwereld ons leven. Hoe die ons voortjaagt en voortjaagt en hoe het haar helemaal onverschillig is.
Niets wat je voedt, iedereen dezelfde lege huls. Iedereen vanuit de holte vanbinnen aan het rondtasten in het donker. We weten niet beter dan dat wij, zoals we eigenlijk zijn, er niets toe doen. Als je naar je kinderen kijkt, houd je je hart vast. We hebben geen idee hoe verminkt we worden als mens, hoe geminacht, hoe gemangeld. Geslagen, gebukt onder het worden ontkend. Verlaten en eenzaam. Op straat sprak je iemand die zei: ‘Ik ga maar een boodschap doen om nog iemand te spreken.’ Verdrietig en ongelukkig. Het geld filtert alle menselijkheid uit. Menselijkheid rendeert niet. Het is niet te doen.
Hoe kan je weten wie je bent? Hoe kan je ooit je zelf leren kennen als je elke dag wordt opgejaagd met te veel en ook nog overbodig werk? Hoe je een keer iets afvragen. Wie zegt dat je steeds meer wilt, en daar je leven voor wilt geven? We kunnen niet weten hoe wij eraan toe zijn, als wij nooit tijd krijgen om even los te komen, ergens bij stil te staan, iets in te zien. Zonder iets in te zien, bouw je nooit een eigen kern op. Zonder eigen kern, waar je ook de behoefte aan beheersing zou vinden, doe je niets meer zonder te verslaven, aan werk, aan takenlijsten, aan drank, aan wat dan ook.
Je noemt het de andere verwoesting. Er zijn de catastrofes die bekend zijn, die van de hittegolven, de droogtes en de stormen, het uitsterven van dieren en planten, de voedseltekorten die om zich heen grijpen. De rampen door de geldwereld toegebracht aan het milieu, waarover we dan ook bijna allemaal ons zorgen maken. En er zijn catastrofes die al langer huishouden, maar onbekend zijn. Waarover we ons dan ook geen zorgen maken. Dit is de verwoesting teweeg gebracht op ons persoonlijke leven.
Hoe hevig verontrust we ook zijn over de vervuiling, toch lukt het de geldwereld om ons als idioten aan het maken en kopen te houden. Het geld wint. Het hersenspoelt ons. We zijn het belang van het geld normaal gaan vinden, niet de gesel die het is. Op visite bij de buren hadden we het erover en iemand vroeg wanneer het eigenlijk was begonnen, dit inbreken? Was het lang geleden met de inzet van machines, was die de slinger aan het elimineren van de mensen? Iemand zei dat het er nog niet eens om ging dat toen het werk je uit handen werd genomen. Maar dat het nu oneindig meer kon zijn. En dat voor het oneindige meer alles wordt geoorloofd, ook de giftigste methodes. Hoe kan je weten dat je een vliegwiel bent van de geldmachine, je natuurlijke rem buiten werking gesteld, gelijkmatig voortgedreven, ook in vrije tijd manisch door scrollend. Door en door, remmen rendeert immers niet.
Op de tuin willen ze je bemoedigen met te wijzen op een duurzame productie hier verderop en een circulaire onderneming elders. Dat is zeker hartstikke prima. Maar niet maken deze alternatieven een einde aan het maar raak blijven maken en kopen. Dat de ratrace teweegbrengt, de liquidatie van ons als mens. Kan dat dan ongehinderd doorgaan?
Zonder ruimte om na te denken bouwen we nooit de kracht op om de catastrofes te kunnen keren. Ze komen regelrecht op ons af en wij mogen het uitzoeken. Hoe kan je weten dat het anders kan? Dat we wel eraan te pas willen komen? Dat je de ontmoediging van je af kan schudden? Dat we niet bij alles aan meer hoeven te denken, maar dat we ook niet aan meer kunnen denken, en wel aan minder. Of helemaal niet aan willen hebben. Dat een leven denkbaar is dat leeft, om ons heen en in onszelf?
De kinderen zijn intussen inderdaad opgehouden met scrollen en oortjes. Dat maakt het wel zo gezellig. Ja, je doet je best, maar het moet natuurlijk in het groot worden georganiseerd, een gezond bestaan. Dat is gewoon zorgplicht, voor ons en voor de omgeving waar wij het leven aan hebben te danken. Wie zegt dat je best zonder moestuin kan, dat je niet hoeft te weten wie je eigenlijk bent, dat je niet hoeft te worden liefgehad?
Wie wil niet geholpen worden om het anders te doen, normaal, eenvoudig, schoon. Wie wil niet ervaring opdoen en anderen ervan geven. De rust krijgen om wel om je heen te kunnen kijken, wel het zingen van de vogels te horen, de bloei van de bomen te ruiken. Op de club hebben mensen het er nu ook over dat ze het zat zijn, dat ze het anders willen. Ze vragen zich af hoe dan. Zeggen dat het zo moeilijk niet hoeft te zijn. Veel hebben ze niet nodig om van te leven, zeggen ze. En dat is waar. Maar voor het gros van de gewone eigen levens is dat, zonder de organisatie in het groot, natuurlijk niet uitvoerbaar.
Helen Gerretsen
helengerretsen.nl
Blijf op de hoogte met de nieuwsbrief. Meld je hier aan.
( Je kunt ons ook steunen door lid te worden of te doneren )
