Volg Duurzaamnieuws op Google News | Discover | of als voorkeursbron op Google
Sinds 1980 daalde het zuurstofgehalte in 400 onderzochte meren met tot 18,6 procent in diep water. Dat zet vissen onder druk en raakt mogelijk ook de kwaliteit van ons drinkwater.
Onder het wateroppervlak van een meer. Foto: iStock – Prelevic Milos
Wie op een warme dag aan een meer zit, ziet zelden wat er onder het wateroppervlak verandert. Toch blijkt uit onderzoek dat zoetwatermeren sinds 1980 veel sneller zuurstof verliezen dan oceanen. De analyse omvatte ruim 45.000 metingen uit 400 meren, vooral in Europa en Noord-Amerika. Zuurstof bepaalt niet alleen hoeveel ruimte vissen krijgen, maar ook wat er in de waterbodem en uiteindelijk in onze drinkwaterbronnen gebeurt.
Het tempo ligt drie tot negen keer hoger dan in zee
De meetreeks loopt van 1941 tot 2019 en laat zien dat de daling vooral na 1980 hard is gegaan. In de bovenste waterlaag nam de hoeveelheid opgeloste zuurstof gemiddeld met 5,5 procent af. Dat klinkt minder fors dan onderin een meer, maar juist aan het oppervlak speelt de opwarming meteen mee.
Per 10 jaar daalde de zuurstofconcentratie aan het oppervlak gemiddeld met 0,11 mg/l. Warm water kan minder zuurstof vasthouden dan koud water, en dat is precies het water waarin veel planten, dieren en micro-organismen leven.
Een warme laag sluit de diepte af
Luchtfoto van een meer met donker water omgeven door groen landschap, mogelijk het Stechlinmeer. Beeld: Wikipedia.
In diepe meren gebeurt nog iets anders. Een warme, lichte laag blijft bovenop drijven en mengt nauwelijks met het koudere water eronder. Die scheiding heet thermische stratificatie: het meer raakt verdeeld in lagen die elkaar steeds minder bereiken.
Daardoor krijgt het water bij de bodem geen verse zuurstof meer uit de lucht. Tegelijk gebruiken bacteriën en andere organismen daar wel zuurstof terwijl ze dood plantenmateriaal afbreken. Het tekort kan dan flink oplopen.
Het Duitse meer Stechlin laat zien hoe snel zo’n omslag kan gaan. De periode waarin het water in lagen gescheiden blijft, is daar sinds het begin van de jaren 1960 ongeveer een maand langer geworden. In vijftien tot twintig jaar veranderde het heldere, voedselarme meer bovendien in een systeem met sterke interne eutrofiëring, waarbij voedingsstoffen vanuit de bodem opnieuw in het water terechtkomen.
Goed om te weten
Zoet water vormt minder dan 1 procent van al het beschikbare water op aarde. Juist daarom zijn meren belangrijk voor drinkwater, landbouw, visserij en recreatie.
Voor koudwatervissen blijft steeds minder ruimte over
Soorten als meerforel, beekridder en houting hebben koud en zuurstofrijk water nodig. Wordt het boven warm en de diepte zuurstofarm, dan blijft er voor deze vissen nauwelijks een geschikte plek over. Ze moeten voortdurend verhuizen tussen waterlagen, en dat kost energie die anders naar voedsel zoeken en voortplanting gaat.
- In zuurstofarm water verandert de samenstelling van bacteriën en andere micro-organismen.
- Sommige daarvan produceren meer methaan, een broeikasgas dat de opwarming verder aanjaagt.
- In de bodem kunnen chemische reacties fosfor losmaken, waardoor algen sneller groeien.
Die extra fosfor werkt als mest voor een meer. Algenbloei kan het water troebel maken en soms giftige stoffen produceren. Ook dieren die van dat water drinken, kunnen daaraan sterven.
Drinkwater kan ineens een probleem worden
Hoe ingrijpend dat kan zijn, bleek in 2014 bij het Eriemeer. Door giftige algenstoffen konden 400.000 inwoners van Toledo hun kraanwater enkele dagen niet gebruiken. Zulke problemen beginnen vaak onder water, lang voordat je aan het oppervlak iets bijzonders ziet.
Voor Nederland is dat geen ver-van-je-bedverhaal. We gebruiken meren, plassen en reservoirs voor natuur, zwemmen, visserij en soms ook als bron voor drinkwater. Langere periodes met warm, stilstaand water vergroten de kans dat zuurstoftekort en algenbloei elkaar versterken.
Meten en vervuiling terugdringen blijft de praktische stap
De opwarming van het klimaat vraagt om mondiale actie, maar rond een meer kun je iets doen: minder afspoeling van mest en andere voedingsstoffen remt de algengroei, waardoor er ook minder zuurstof verdwijnt bij de afbraak van algen.
Beheerders volgen daarom steeds vaker temperatuur, zuurstof en fosfor, vooral in diepe waterlagen die vanaf de oever onzichtbaar blijven. Bij het meer Stechlin bleek een extra maand gelaagd water al genoeg om het ecosysteem binnen vijftien tot twintig jaar sterk te veranderen. De cijfers zijn afkomstig van onderzoek door Stephen Jane en Kevin Rose, beiden verbonden aan de afdeling Biological Sciences van Rensselaer Polytechnic Institute (Troy, VS), gepubliceerd in Nature op 9 juni 2021,

